Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula australandina

Pinguicula australandina

Het hooggebergtevetblad van de zuidelijke Andes, pas in deze eeuw als aparte soort herkend. Pinguicula australandina groeit in de natte alpiene weiden tussen veertienhonderd en drieëntwintighonderd meter, van de Laguna del Maule in Chili tot in het Argentijnse Neuquén — een gebied van vulkanen, smeltwater en korte zomers. De naam zegt precies waar hij thuishoort: het zuidelijke deel van de Andes.

Pinguicula australandina
Foto: Bruno Alzugaray — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula australandina — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Ezequiel Racker — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula australandina — de bloem
De bloem · Foto: Ariadna Tripaldi — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula australandina — de standplaats
De standplaats · Foto: Nicolás Lavandero — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een compacte rozet van vier tot zes bladeren van veertien tot tweeëntwintig millimeter, groen tot bruingroen van kleur en met een vettig glanzende bovenkant. De bloemsteel is twee tot vijf centimeter hoog en matig met klierharen bezet — minder dicht dan bij P. nahuelbutensis, duidelijk meer dan bij P. antarctica. De bloem is tweelippig en violet, roze of lila, vaak met donkerder aderen die naar de keel wijzen; de spoor is kegelvormig, stomp of iets spits, en twee tot drie millimeter lang. Bloeitijd januari tot begin maart, dus midden in de zuidelijke zomer. Na de bloei trekt de plant zich terug voor de lange winter onder de sneeuw.

Gelijkende soorten

De drie andere zuidelijke soorten zijn de reële verwarringskans. Pinguicula antarctica, zuidelijker en lager, heeft witte bloemen van acht tot tien millimeter met een zakvormige spoor van hooguit anderhalve millimeter. P. chilensis overlapt in hoogte maar heeft blauwe tot witachtige bloemen; P. australandina is de enige van de vier die doorgaans uitgesproken violet tot roze bloeit, en dat is het snelste kenmerk in het veld. P. nahuelbutensis staat in het kustgebergte, niet in de Andes, en heeft een zeer korte bloemsteel van hooguit anderhalve centimeter. Buiten de bloei is onderscheid in deze groep praktisch onmogelijk.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval met een extreem kort dienstverband. Boven de tweeduizend meter ligt in deze bergen een halfjaar sneeuw; wat de plant in de zomerweken vangt, moet haar door de rest van het jaar heen helpen. De gesteelde klieren houden een kleefdruppel vast, de zittende klieren daaronder scheiden enzymen af zodra er een prooi op ligt, en de bladrand rolt daarna traag over de vangst zodat het vocht blijft staan. Het aanbod is in de korte Andes-zomer verrassend groot: boven de smeltwaterplassen en natte weiden zwermen dansmuggen en kleine vliegen in dichte wolken. Op de alpiene bodem, koud en traag van afbraak, is dat de snelste route naar stikstof.

Standplaats en ecologie

Natte alpiene weiden en kwelplekken boven de boomgrens tussen veertienhonderd en drieëntwintighonderd meter (R5, W6), op bodem die tijdens het groeiseizoen permanent vochtig is door smeltwater. De vegetatie is kort en open, met veel kale grond en steen ertussen; er is geen struiklaag die schaduw geeft. Het klimaat is streng: krachtige zonnestraling overdag, nachtvorst tot in de zomer en een lange sneeuwperiode. De standplaatsen liggen als vlekken in het landschap, telkens daar waar water aan de oppervlakte komt.

Verspreiding en hoogte

Langs de zuidelijke Andes tussen ongeveer zesendertig en eenenveertig graden zuiderbreedte: van de Laguna del Maule in Chili tot in de omgeving van de Cerro Nireco in het Argentijnse Neuquén. De soort komt aan beide zijden van de waterscheiding voor en is dus niet endemisch voor één land, al noemt onze eigen soortenlijst alleen Argentinië. Binnen dat gebied is de verspreiding sterk versnipperd — elke natte hoogweide is een eiland, gescheiden door droge, stenige hellingen en diep ingesneden dalen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 5 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. De bloemkleur loopt binnen de soort van dieppaars via lila naar roze, ook binnen één populatie, en de tekening van de aderen wisselt sterk; dat is gewone variatie en geen basis voor vormen. Planten van de hoogste, meest blootgestelde plekken blijven kleiner en hebben kortere bloemstelen. Natuurlijke hybriden zijn niet beschreven. Wel is het goed te weten dat het soortbegrip in deze groep jong is: materiaal dat vroeger onder P. antarctica of P. chilensis werd gerangschikt, hoort deels hier thuis, zodat oudere literatuur met zorg moet worden gelezen.

Waar en wanneer te zien

Ga hoog, en ga in januari of februari. De plant staat op de natte weiden even boven de boomgrens, daar waar smeltwater aan de oppervlakte komt en de grond onder je voeten nog meegeeft; de droge, stenige hellingen ertussen zijn verloren tijd. Zoek de violette bloemen — die vallen op in een landschap dat verder vooral geel en grijs is. Het loont om laag bij de grond te gaan zitten: de rozetten zijn klein, bruingroen en vallen tegen de bodem weg. En denk aan de zon: op deze hoogte is de ultraviolette straling fel.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES; er is dus geen internationale categorie. Wat bekend is, is nog jong: de soort is pas deze eeuw beschreven, en het beeld van de verspreiding steunt op een beperkt aantal gerichte veldbezoeken. Het areaal loopt over ruim vijfhonderd kilometer Andes en bevat groeiplaatsen binnen beschermde gebieden aan beide zijden van de grens. De druk komt van begrazing van de hoogweiden door vee, van waterwerken in de smeltwaterstelsels, en van het opschuiven van de sneeuwgrens, waardoor natte alpiene weiden in oppervlakte afnemen. Dat er geen beoordeling ligt, betekent hier vooral dat de basisgegevens nog te dun zijn.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula australandina | Gluch, 2017

Beschreven door Oliver Gluch in 2017, in Carnivorous Plant Newsletter 46. Het typegebied ligt in de provincie Neuquén in Argentinië, bij Copahue, op ongeveer 1900 meter hoogte. De soortnaam australandina is samengesteld uit het Latijnse australis ("zuidelijk") en "Andina" ("van de Andes") en verwijst naar het voorkomen van deze soort in de zuidelijke Andes van Chili en Argentinië.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.