Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes sumatrana
Nepenthes sumatrana
Een laaglandsoort met een lange en verwarde geschiedenis. Nepenthes sumatrana werd in 1856 aan de westkust van Sumatra verzameld, werd daarna afwisselend als variëteit van een andere soort, als synoniem van een Nieuw-Guinese soort en als zelfstandige soort behandeld, en is pas sinds 1997 weer algemeen erkend. In het veld heeft na die eerste verzamelaar anderhalve eeuw lang vrijwel niemand hem bewust teruggezien. Het is een krachtige klimmer met lange, smalle bladeren en grote trechterbekers, die alleen in ongestoord bos standhoudt.


Herkenning
Een forse klimplant met stengels tot 15 m lang en ongeveer 9 mm dik, met leden tot 20 cm. De bladeren zijn leerachtig en gesteeld, lancetvormig tot omgekeerd eirond, tot 55 cm lang maar slechts 9 cm breed, met zes tot acht paar lengtenerven en een korte franje van bruine haartjes langs de rand; de rank wordt tot 60 cm lang. Rozetbekers zijn eivormig tot smal eirond-cilindrisch, tot 10 cm hoog. De onderbekers zijn geheel eivormig, tot 20 cm hoog en 10 cm breed, met gefranjerde vleugels tot 6 mm en een cilindrisch peristoom tot 10 mm breed met onduidelijke tanden. De bovenbekers zijn de grootste: over de hele lengte trechtervormig, tot 30 cm hoog en 15 cm breed, met de vleugels teruggebracht tot richels en een aan de voorkant opgewipte mondrand, zoals bij N. rafflesiana. Ze verspreiden een zoete, fruitige geur.
Gelijkende soorten
Twee soorten liggen voor de hand. Nepenthes rafflesiana heeft duidelijke tanden op het peristoom en een uitgerekte hals achter de mond, en de bovenkant van zijn onderbekers is cilindrisch; bij N. sumatrana zijn de tanden onduidelijk, ontbreekt de hals en zijn de onderbekers geheel eivormig. Nepenthes longifolia, waarmee hij lang is samengevoegd, heeft ranken aan de rozetbladeren tot 110 cm, onderbekers die maar een tiende van de ranklengte halen, geurloze bovenbekers die alleen onderaan trechtervormig en daarboven cilindrisch zijn, geen opgewipte mondrand, en groeit hoger, van 300 tot 1100 m. Bij N. sumatrana is de rank hooguit 60 cm, is de onderbeker ongeveer een vijfde van de ranklengte en ruikt de bovenbeker zoet.
De val en hoe hij werkt
Een valkuilbeker in twee vormen. De onderbekers staan bij de grond, zijn gevleugeld en vangen vooral lopend gedierte. De grote, trechtervormige bovenbekers hangen hoog in het bos aan lange ranken en zijn duidelijk op vliegende insecten gericht: hun zoete, fruitige geur is een van de beste veldkenmerken, en een trechter die naar boven wijder wordt, laat een insect dat op het gladde peristoom uitglijdt weinig houvast. Het peristoom is aan de voorzijde opgetild, zoals bij N. rafflesiana, zodat een insect dat van voren nadert eerst over de nectarrijke rand moet. Binnenin zit, zoals in het hele geslacht, een zuur verteringsvocht; gegevens over de prooisamenstelling zijn voor deze soort niet gepubliceerd.
Standplaats en ecologie
Dicht, ongestoord laaglandregenwoud (B2) op zandsteen, van zeeniveau tot ongeveer 800 m. De plant groeit op de grond, vaak op steile hellingen, en heeft voor zijn klimstengels de omringende vegetatie nodig om in het bladerdak te komen; zaailingen zijn ook op rotswanden gevonden. Hij vraagt een vochtige, schaduwrijke omgeving en ontbreekt waar het bos gekapt of in landbouwgrond omgezet is. Dat onderscheidt hem van veel andere laaglandsoorten, zoals N. gracilis en N. mirabilis, die juist van open, verstoorde plekken profiteren.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra, Indonesië, in de provincies Noord- en West-Sumatra, vooral in het kustnabije heuvelland van het noordwesten. De verspreiding is fragmentarisch en nog onvolledig bekend. Een oude collectie uit het binnenland van West-Sumatra, ooit als afzonderlijke soort beschreven, hoort er waarschijnlijk bij, maar expedities in 1995 en 2001 vonden daar geen planten meer. Hoogte: 0 tot 800 m. Omdat de soort ernstig bedreigd is, noemt deze gids geen precieze vindplaatsen. De wereldchecklist bevat voor deze naam geen verspreidingsgegevens; de gebiedsaanduiding volgt daarom Clarke (2001).
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. Er zijn wel natuurlijke hybriden gemeld met soorten die in hetzelfde gebied groeien: met N. eustachya, al vóór 1990 bekend maar toen onder een verkeerde oudernaam gerapporteerd, met N. gracilis en met N. mirabilis; hybriden met N. beccariana en N. longifolia worden vermoed maar zijn onzeker. De gebruikelijke tegenstelling tussen gevleugelde, eivormige onderbekers en vleugelloze, trechtervormige bovenbekers is bij deze soort sterk, en losse bovenbekers worden gemakkelijk voor een andere soort gehouden.
Waar en wanneer te zien
Deze soort staat als ernstig bedreigd te boek en overleeft niet in verstoord terrein; elke betreding van een groeiplaats telt. Zoek hem daarom niet actief op en deel geen locaties. Wie in het laaglandbos van Noordwest-Sumatra met een erkende gids of in het kader van onderzoek op pad is, herkent de soort het best aan de bovenbekers: grote, over de hele lengte trechtervormige bekers hoog in het bladerdak, met een zoete geur die je soms eerder ruikt dan ziet. Kijk en fotografeer vanaf het pad; verzamelen van planten of zaad uit het wild is zonder vergunning verboden.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als ernstig bedreigd (Critically Endangered). Clarke kwam in 2001 op grond van eigen veldwerk tot hetzelfde oordeel: de plant verdraagt geen verstoring, het areaal is klein en versnipperd, en de snelle ontwikkeling rond de havensteden van de westkust neemt het resterende bos in. Verzamelen is een kleinere bedreiging omdat de planten op steile, moeilijk bereikbare hellingen staan. De jarenlange verwarring met N. beccariana en N. longifolia heeft gericht beschermingswerk bemoeilijkt. De soort staat in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes sumatrana | (Miquel) Beck, 1895
Beschreven door Günther Beck von Mannagetta und Lerchenau in 1895, in zijn monografie "Die Gattung Nepenthes" (Wiener Illustrirte Garten-Zeitung 20). De soort werd formeel geïntroduceerd als variëteit van N. maxima, maar geldt als geldige eerste naamcombinatie. Holotype (Teijsmann 535), verzameld door Johannes Elias Teijsmann in februari 1856 bij Sibolga, aan de westkust van Sumatra. De soort groeit op 0-800 m hoogte in laaglandbos op zandsteen, Noord- en West-Sumatra. Vernoemd naar Sumatra, het eiland van herkomst.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.