Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes rhombicaulis
Nepenthes rhombicaulis
Een bekerplant van de schaduwrijke ondergroei van het bergbos, met een stengel die in doorsnede ruitvormig is: vandaar rhombicaulis. De Japanse botanicus Shigeo Kurata verzamelde haar op 29 maart 1972 op de Gunung Pangulubao bij het Tobameer, tussen 1700 en 1900 m, en beschreef de soort in 1973 in The Gardens' Bulletin Singapore. Het holotype ligt in het herbarium van het Nippon Dental College. Lange tijd was dat ene specimen vrijwel alles wat in herbaria van de soort bekend was.

Herkenning
Een forse klimplant, volgens Cheek & Jebb (2001) tot 20 m lang, met een vierkantige tot ruitvormige klimstengel van 5 tot 10 mm dik; er zijn ook korte scheuten en rozetten. De stengel is kaal met duidelijke klieren; de bladranden dragen roodbruine haren. De bladeren aan de klimscheut zijn lancetvormig, 12 tot 22 cm lang en 3 tot 4 cm breed, met een bijna schildvormige tot uitgerande top en een stengelomvattende voet, en twee of drie lengtenerven aan elke kant. De onderbekers zijn onderaan buikig en bovenaan cilindrisch, 6 tot 12 cm hoog en 2,5 tot 3,5 cm breed, met twee gefranjerde vleugels, een peristoom van 3 tot 5 mm met ribben op ongeveer 0,5 mm, een deksel van 2,5 bij 1,7 tot 2,5 cm en een spoortje dat tot aan de voet in twee draden is gespleten, ongeveer 5 mm lang. Ze zijn dofgroen tot lichtrood met paarse vlekken, met een peristoom van lichtgroen tot donkerpaars. Bovenbekers zijn in het veld zelden waargenomen: onderaan buikig, naar de mond buis- tot licht trechtervormig, met een sterk versmald peristoom; ze zijn geelgroen met lichtrode vlekken.
Gelijkende soorten
Nepenthes gymnamphora, die op de Pangulubao samen met deze soort groeit, heeft ronde stengels, bredere vleugels op de onderbekers en een breder, getand peristoom. N. hirsuta van Borneo lijkt oppervlakkig op N. rhombicaulis, maar komt niet op Sumatra voor. N. spectabilis en N. ovata, die op dezelfde berg groeien, hebben respectievelijk veel langere, gespikkelde bovenbekers en bolle onderbekers met een haakvormig aanhangsel onder het deksel. De ruitvormige stengel en het in twee draden gespleten spoortje zijn de handigste kenmerken.
De val en hoe hij werkt
De onderbekers liggen vaak half verzonken in bladstrooisel en humus op de bosbodem, en vangen dus bijna uitsluitend wat over de bodem loopt: mieren, kevers, springstaarten en andere strooiselbewoners. De gefranjerde vleugels leiden die naar de mond, waar het geribbelde peristoom bij vocht glad wordt. In de schaduw van het bos, waar vliegende insecten schaarser zijn dan op open kammen, is deze strategie van de bodem logisch. De zelden gevormde bovenbekers vangen vliegende insecten.
Standplaats en ecologie
Dicht, schaduwrijk bergbos (B1), vooral lager montaan bos op steile hellingen, tussen ongeveer 1600 en 2000 m. De soort groeit op de grond en is een van de weinige Nepenthes die algemeen in de ondergroei van gesloten bos voorkomt, in plaats van aan open plekken en bosranden gebonden te zijn. De onderbekers zitten vaak in de strooisellaag.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra, in de provincie Noord-Sumatra, rond het Tobameer: bekend van het Pangulubao-complex en de Gunung Lubukraya, met mogelijke waarnemingen op de Gunung Bandahara in Aceh. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten beschreven; de kleur van de onderbekers varieert van dofgroen tot lichtrood, die van het peristoom van lichtgroen tot donkerpaars. Natuurlijke hybriden zijn bekend met N. flava, N. gymnamphora, N. ovata, N. spectabilis en N. tobaica. Op de Pangulubao, waar veel soorten samenkomen, zijn zulke hybriden in het veld goed te vinden.
Waar en wanneer te zien
De Gunung Pangulubao bij het Tobameer is de typevindplaats en de beste plek. Kijk niet alleen langs de open kam, waar de andere soorten groeien, maar ook in het dichte bos op de hellingen eronder: daar staat N. rhombicaulis, met haar onderbekers in het strooisel. Voel aan de stengel: de vier scherpe hoeken zijn met de vingers goed te herkennen. Wie bovenbekers vindt, heeft iets zeldzaams gezien; noteer en fotografeer ze zorgvuldig.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als kwetsbaar (Vulnerable), vanwege het kleine verspreidingsgebied rond het Tobameer. Het bergbos in dit gebied staat onder druk van ontginning op de lagere hellingen en van brand. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II. Omdat de soort in gesloten bos groeit, is ze gevoeliger voor houtkap dan soorten van open kammen, die van verstoring kunnen profiteren.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes rhombicaulis | Kurata, 1973
Nepenthes rhombicaulis werd in 1973 beschreven door Shigeo Kurata, in The Gardens' Bulletin Singapore 26(2): 227-232. Het holotype (Kurata 4300) werd op 29 maart 1972 verzameld op de berg Pangulubao, Sumatra — dezelfde berg als N. mikei en N. ovata (golf 27/28) — op 1700-1900 m hoogte, en ligt in het herbarium van het Nippon Dental College; een isotype ligt in het National Herbarium of Singapore. De berg Pangulubao, Sumatra, Indonesië, op 1700-1900 m hoogte. De naam is samengesteld uit het Latijnse "rhombicus" ("ruitvormig") en "caulis" ("stengel"), en verwijst naar de karakteristieke ruitvormige doorsnede van de stengelinternodiën.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.