Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes ovata

Nepenthes ovata

Een bekerplant met een lange voorgeschiedenis van verwarring. Franz Wilhelm Junghuhn verzamelde haar al rond 1840 op de Gunung Lubukraya, bij het Tobameer, op bijna 2000 m. B.H. Danser hield dat materiaal in 1928 voor Nepenthes bongso, en latere botanici verwarden de plant met N. densiflora en N. pectinata. Pas in 1994 beschreven Joachim Nerz en Andreas Wistuba haar als aparte soort, N. ovata, naar de eivormige onderbekers. Het holotype verzamelde Nerz op 16 maart 1989 op de westkam van de Gunung Pangulubao.

Nepenthes ovata
Foto: Alfindra Primaldhi — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes ovata — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Alfindra Primaldhi — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes ovata — de standplaats
De standplaats · Foto: Alfindra Primaldhi — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een epifytische, zelden terrestrische struik of klimplant met een ronde stengel van 4 tot 6 mm en leden van 4 tot 15 cm. De rozetbladeren zijn 10 tot 15 cm lang en 2 tot 3 cm breed; de bladeren aan de klimstengel 5 tot 16,5 cm lang en 2,5 tot 3,5 cm (tot 5,7 cm) breed, met drie lengtenerven aan elke kant en een voet die 3 tot 7 mm langs de stengel afloopt. De onderbekers zijn breed ellipsoïde tot eirond, 10 tot 15 cm hoog (tot 25 cm) en 5 tot 8 cm breed, met twee gefranjerde vleugels van 2 tot 5 mm en een peristoom dat van 3 tot 8 mm aan de voorkant verbreedt tot 15 tot 25 mm (zelden 40 mm) achteraan. Het deksel meet 5,5 tot 7 bij 4,5 tot 6 cm en draagt aan de onderkant bij de voet het kenmerk van de soort: een zijdelings afgeplat, symmetrisch of teruggebogen aanhangsel van 2 tot 5 mm, soms haakvormig. De bovenbekers zijn trechtervormig, 12 tot 18 cm hoog en 4,8 tot 6 cm breed, met een smaller peristoom. De onderbekers zijn groen tot rood met een donkerrood peristoom; de bovenbekers geel tot geelgroen, vaak gestreept, met een rood peristoom met gele strepen.

Gelijkende soorten

Nepenthes bongso heeft soms een vergelijkbare kam onder het deksel, maar minder vaak en minder uitgesproken, en veel slankere bekers. N. densiflora mist het haakvormige aanhangsel en heeft onderbekers met een langere hals. N. singalana heeft een afgeronde in plaats van toegespitste bladtop en een andere verdeling van de klieren. N. rigidifolia heeft dikkere, stijvere bladeren en een rank die net onder de bladtop ontspringt. N. spectabilis, die op dezelfde bergen groeit, heeft veel slankere, gespikkelde bovenbekers.

De val en hoe hij werkt

De bolle onderbekers, in het veenmos of op bemoste takken, zijn grote valkuilen met een breed, sterk naar achteren verbreed peristoom. Onder het deksel zitten nectarklieren, en het haakvormige aanhangsel zelf draagt klieren; zo worden insecten naar een plek boven de mond gelokt. Bij vocht is het peristoom spiegelglad. De trechtervormige, gele bovenbekers vangen vliegende insecten; de gele kleur met rode rand steekt sterk af tegen het groene bladerdek.

Standplaats en ecologie

Gedrongen bemost nevelwoud en de vegetatie van bergkammen (B1), vaak tussen veenmos, tussen ongeveer 1700 en 2100 m. Op de Gunung Pangulubao groeit de soort op de grond op de kam; op de Gunung Lubukraya vooral epifytisch in het open, natte mosbos. Het is een koel, vrijwel altijd nat milieu met een dikke moslaag.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Sumatra, en beperkt tot enkele bergen in het gebied rond het Tobameer in de provincie Noord-Sumatra: de Gunung Pangulubao, de Gunung Lubukraya en de Gunung Simanukmanuk. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 4 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten beschreven; de kleur van de onderbekers loopt van groen tot rood. Van de Gunung Pangulubao zijn vier natuurlijke hybriden bekend, met N. gymnamphora (of N. xiphioides), N. mikei, N. rhombicaulis en N. spectabilis; daarnaast is een kruising met N. flava gemeld. De hybride met N. spectabilis heeft bekers die ongeveer tussen die van de ouders in staan.

Waar en wanneer te zien

De Gunung Pangulubao bij het Tobameer is de klassieke plek, en een van de rijkste bekerplantenbergen van Sumatra, met ook N. mikei, N. spectabilis, N. rhombicaulis en N. gymnamphora. Zoek N. ovata op de kam, tussen het veenmos. Kijk onder het deksel naar het haakvormige aanhangsel: dat is het zekerste kenmerk, en helpt om de soort van de vele hybriden op de berg te onderscheiden.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern). Ondanks het kleine verspreidingsgebied wordt de soort niet langer als bedreigd beschouwd. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II. De bergen rond het Tobameer staan wel onder druk van ontginning en brand op de lagere hellingen, en verzamelaars bezoeken de Pangulubao al decennia.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes ovata | Nerz & Wistuba, 1994

Nepenthes ovata werd in 1994 beschreven door Joachim Nerz en Andreas Wistuba, in "Five new taxa of Nepenthes (Nepenthaceae) from North and West Sumatra" (Carnivorous Plant Newsletter 23(4): 101-114). Het holotype (Nerz 1601) werd op 16 maart 1989 verzameld op de westrug van de berg Pangulubao, op 1800 m hoogte, Noord-Sumatra — dezelfde berg als N. mikei (golf 27) — en ligt in het Nationaal Herbarium Nederland (Leiden). De westrug van de berg Pangulubao, Noord-Sumatra, Indonesië, op 1800 m hoogte. De naam is Latijn voor "eirond" en verwijst naar de vorm van de onderste bekers, die karakteristiek eirond tot ovaal zijn.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.