Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes mollis
Nepenthes mollis
Bijna een eeuw lang was Nepenthes mollis een raadsel: een kannenplant bekend van één herbariumvel zonder een enkele beker. De Nederlandse bosbouwkundige Frederik Endert verzamelde in oktober 1925 op de berg Kemul in Oost-Kalimantan een stuk stengel met bladeren en een mannelijke bloeiwijze, en B.H. Danser beschreef daarop in 1928 een nieuwe soort, genoemd naar de zachte beharing (mollis, zacht). Sommige botanici vermoedden later dat het om een hybride ging. De soort stond op de lijst van 'verloren soorten' die de natuurbeschermingsorganisatie Global Wildlife Conservation wilde terugvinden, en in 2019 werd de herontdekking bekendgemaakt.

Herkenning
Het typemateriaal toont een klimplant met een ronde tot licht hoekige stengel van 6 tot 9 mm dik, en leerachtige, zittende bladeren van 18 tot 20 cm lang en maar 3,5 tot 4,5 cm breed, die met twee vleugels langs de stengel aflopen. De hele plant is dicht bezet met grove, bruine, uitstaande haren, deels kort en vertakt, wat haar een fluweelachtig uiterlijk geeft. Bekers ontbraken in het oorspronkelijke materiaal. Na de herontdekking bleek dat de planten van de Kemul overeenkomen met de goed bekende, dicht roestbruin behaarde planten die sinds 2003 als Nepenthes hurrelliana bekendstonden, met smal trechtervormige bekers, een sterk verbreed peristoom en een gevlekte binnenzijde. Voor bekermaten, zie die soort.
Gelijkende soorten
In 2019 concludeerden Alastair Robinson en collega's dat N. hurrelliana een jonger synoniem is van N. mollis; deze gids voert beide nog als aparte records. Andere behaarde bergsoorten van Borneo, zoals Nepenthes chaniana en Nepenthes pilosa, hebben een haakvormig aanhangsel onder het deksel en veel langere, zachtere haren. Nepenthes hirsuta, die door eerdere botanici als mogelijke verwant werd genoemd, is een laaglandsoort met kleinere bekers. De recent beschreven Nepenthes fractiflexa geldt als naaste verwant en is kleiner, met zigzaggende stengels.
De val en hoe hij werkt
Omdat de bekers bij de beschrijving onbekend waren, kon Danser niets over de val zeggen. Uit het werk aan de planten die als N. hurrelliana bekendstonden, blijkt dat het gaat om een valkuil met een brede, naar achteren uitgetrokken peristoomkraag met nectarklieren, die glad wordt als hij nat is, en een deksel met nectarklieren aan de onderzijde. De bekers hangen meestal aan epifytisch groeiende stengels hoog in de bomen en vangen vooral vliegende en klimmende insecten. Een prooistudie is niet gepubliceerd. In de bekervloeistof van veel Nepenthes-soorten leeft bovendien een eigen kleine levensgemeenschap van muggenlarven, mijten en andere dieren, die van de gevangen prooi meeleven; of dat ook bij deze soort zo is, is niet onderzocht.
Standplaats en ecologie
Op de Kemul groeit de soort in dicht bos op steile hellingen en in bemost bos rond 1800 tot 2050 m. In de ruimere opvatting, met N. hurrelliana erbij, komt ze voor tussen ongeveer 1300 en 2400 m, meestal als epifyt in bemost boven-montaan bos, soms op de grond (B1). Het is het klassieke nevelwoud van de hoge Bornese bergen: permanent vochtig, zuur en arm aan voedingsstoffen. Voor een kannenplant is zo'n standplaats gunstig: de voortdurende vochtigheid houdt de bekers gevuld en het peristoom glad, terwijl de arme bodem weinig stikstof en fosfor levert, zodat de extra voeding uit prooi een echt voordeel geeft.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Borneo. In de oude, enge opvatting alleen bekend van de Kemul in Oost-Kalimantan. Met N. hurrelliana erbij strekt de soort zich uit over meerdere bergen in het noorden van Sarawak, in Brunei en in het zuidwesten van Sabah. De eigen soortenlijst vermeldt 'Oost-Kalimantan, Sarawak, Sabah', wat bij de ruime opvatting past; Brunei ontbreekt daarin.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of wilde vormen beschreven. Wat over variatie bekend is, komt uit populaties die als N. hurrelliana werden beschreven: de mate van vlekking in de bekers varieert sterk. Natuurlijke hybriden met Nepenthes lowii en Nepenthes veitchii zijn in die populaties gemeld. De vroegere gedachte dat N. mollis zelf een hybride zou zijn, is na de herontdekking verlaten.
Waar en wanneer te zien
De Kemul ligt in een afgelegen deel van het binnenland van Oost-Kalimantan en is alleen via lange tochten bereikbaar. In de ruimere opvatting is de soort veel gemakkelijker te zien op de Mulu in Sarawak, waar ze boven ongeveer 1500 m als epifyt in het bemoste bos groeit. Kijk omhoog naar de takken en let op de roestbruine beharing.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat N. mollis als onvoldoende bekend (Data Deficient), een oordeel dat dateert van toen de soort nog alleen van het typemateriaal bekend was. Een volledige beoordeling ontbreekt dus. Wat inmiddels bekend is: de soort is teruggevonden, en als N. hurrelliana erbij wordt gerekend, groeit ze op meerdere bergen, deels in beschermde gebieden; die planten zijn onder hun eigen naam als niet in gevaar beoordeeld. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes mollis | Danser, 1928
Nepenthes mollis werd in 1928 beschreven door Benedictus Hubertus Danser in zijn monografie "The Nepenthaceae of the Netherlands Indies" (Bulletin du Jardin Botanique de Buitenzorg). Het typemateriaal werd op 17 oktober 1925 verzameld door Frederik Endert. De berg Kemul (ook gespeld als Kemoel, Kemal of Kong Kemul), Oost-Kalimantan, Borneo, op ongeveer 1800 m hoogte, op een steile berghelling met dicht bos — dezelfde berg als N. fusca (golf 22). De naam komt van het Latijnse "mollis" ("zacht") en verwijst naar de haarbekleding die deze plant kenmerkt.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.