Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes klossii
Nepenthes klossii
Een van de vreemdste bekers in het geslacht: een koepelvormige val met een mond aan de zijkant en lichte vensters in de wand, waardoor het binnenste oplicht. Nepenthes klossii werd in januari 1913 verzameld door de natuuronderzoeker Cecil Boden Kloss tijdens de Britse Wollaston-expeditie in zuidwestelijk Nieuw-Guinea, en in 1916 door Henry Ridley beschreven. Ridley noemde de plant opvallend door haar beharing en het diep paarse deksel. Lang bleef de soort vrijwel onbekend: tot in de Flora Malesiana van 2001 waren er slechts drie verzamelingen, en pas Jebb bracht in 1991 de kapvormige beker goed in beeld.



Herkenning
Een struik of mogelijk een klimplant, waarvan de hoogte in de herbariumgegevens niet bekend is. De stengel is driehoekig, ongeveer een centimeter dik. De bladeren zijn leerachtig en duidelijk gesteeld, met een bladschijf van 18 tot 25 cm lang en 6,5 tot 9 cm breed en een gevleugelde bladsteel van ongeveer 6 cm. Opvallend is de dichte beharing van lange, oranjebruine, enkelvoudige of weinig vertakte haren tot anderhalve millimeter, gemengd met sterharen. De bovenbekers zijn trechtervormig tot cilindrisch, ongeveer 20 cm hoog en 5 cm breed; later waarnemingen noemen ze tot 26 cm hoog en 7 cm breed. Het peristoom is 3 tot 5 mm breed. Het deksel is bijna rond, ongeveer vijf bij vijf centimeter, draagt aan de onderkant twee aanhangsels en heeft een spoor van bijna een centimeter. Bij goed ontwikkelde bekers welft het bovenste deel zich als een kap over de mond, die daardoor opzij kijkt.
Gelijkende soorten
Qua bekervorm lijkt de soort het meest op Nepenthes aristolochioides uit Sumatra, de enige andere soort met koepelvormige bekers en lichtdoorlatende vlekken in de wand. De gelijkenis berust op convergente evolutie: de twee zijn niet nauw verwant en groeien duizenden kilometers van elkaar. Nepenthes klossii onderscheidt zich bovendien door veel grotere, gesteelde bladeren. In verwantschap staat de soort dichter bij Nepenthes maxima, waarop de aanhangsels onder het deksel en de nervatuur van het blad wijzen. Nepenthes eustachya vormt soms oppervlakkig gelijkende kapvormige bovenbekers, maar verschilt verder sterk.
De val en hoe hij werkt
Een lichtval, en daarmee een uitzondering in het geslacht. Het bovenste deel van de beker welft zich tot een koepel met lichte, bijna doorzichtige vlekken, terwijl de mond aan de zijkant ligt. Vliegende insecten die de beker binnengaan, zien het licht door de wand en proberen daarheen te vliegen in plaats van terug naar de donkerdere uitgang; ze raken uitgeput en vallen in de vloeistof. Hetzelfde principe kennen we van enkele Noord-Amerikaanse bekerplanten, zoals Darlingtonia californica en Sarracenia psittacina. De prooi bestaat volgens de beschikbare gegevens vooral uit kleine vliegende insecten. Het deksel is diep paars en de binnenwand boven de klierzone blauwachtig berijpt.
Standplaats en ecologie
Moerassig bergbos op grote hoogte, mogelijk ook grasland, tussen ongeveer 930 en 2000 m (B1, B4). De Flora Malesiana noemt de standplaats onbekend en vermoedt grasland; latere waarnemingen spreken van nat, moerassig bos in het bergland. Het gaat om voedselarme, voortdurend natte bodems in een koel en vochtig klimaat met veel bewolking. Op één bekende plaats groeit de soort samen met een kleine vorm van Nepenthes maxima. Over de precieze bodemsoort is weinig gepubliceerd.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in de Indonesische provincie Papoea, in het westelijke deel van het centrale bergland van Nieuw-Guinea. Onze eigen soortenlijst noemt alleen 'Nieuw-Guinea'; dat klopt, maar de soort is beperkt tot een relatief klein deel van het westelijke, Indonesische gedeelte van het eiland. De bekende vindplaatsen zijn weinig in aantal en sommige zijn in decennia niet meer bezocht. Omdat de soort op de Rode Lijst als bedreigd staat, geeft deze gids geen nauwkeuriger ligging van de vindplaatsen dan het berggebied als geheel.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. Wel zijn vermoedelijke natuurlijke hybriden met Nepenthes maxima gemeld van een plaats waar beide soorten samen groeien. De onderbekers en rozetbekers zijn rood met paarse spikkels op het deksel; de bovenbekers vertonen hetzelfde kleurpatroon, maar zijn groter en hebben de kenmerkende kapvorm. In herbariummateriaal zien de bekers er geelachtig uit. De drie oude verzamelingen verschillen onderling in bekervorm: pas het materiaal van de Nederlandse botanicus Eyma liet duidelijk de kap over de mond zien.
Waar en wanneer te zien
Deze soort is zeldzaam, slecht bekend en volgens de Rode Lijst bedreigd. Er is geen verantwoorde manier om hier een 'vindplaatstip' te geven. Wie in het bergland van Papoea onderzoek doet, doet dat met vergunningen, samen met Indonesische instellingen en lokale gemeenschappen, en zonder planten of zaad mee te nemen. Voor wie de soort wil leren herkennen: let in nat bergbos op bekers met een gewelfde kap en een mond aan de zijkant, en op de dichte oranjebruine beharing van stengel en bladeren. Waarnemingen zijn waardevol, maar publiceer geen coördinaten.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als bedreigd (Endangered), op grond van een beoordeling uit 2000. De soort is in het wild zeer zeldzaam en slechts van enkele plaatsen bekend. De enige goed bereikbare populatie ligt in een gebied waar wegenbouw en ontwikkeling gepland waren; andere populaties zijn in decennia niet meer gecontroleerd, wat een nieuwe beoordeling lastig maakt. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist. Gezien de zeldzaamheid en de opvallende bekers is ook verzamelen voor de handel een reëel risico.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes klossii | Ridley, 1916
Nepenthes klossii werd in augustus 1916 beschreven door Henry Nicholas Ridley, in zijn verslag van de Wollaston-expeditie in The Transactions of the Linnean Society of London 9(1). Het typemateriaal werd op 26 januari 1913 — drie jaar vóór de formele beschrijving — verzameld door Cecil Boden Kloss, nabij een expeditiekamp (kamp VIb) in zuidwest-Nieuw-Guinea, op 930-1170 m hoogte; het ligt in het herbarium van de Singapore Botanic Gardens. Nabij expeditiekamp VIb, zuidwest-Nieuw-Guinea, op 930-1170 m hoogte. De soortsnaam eert Cecil Boden Kloss, de botanicus die het oorspronkelijke exemplaar drie jaar vóór de formele beschrijving verzamelde.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.