Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes epiphytica
Nepenthes epiphytica
Veel kannenplanten groeien af en toe als epifyt, op takken in plaats van op de grond; deze soort doet niets anders. Nepenthes epiphytica, beschreven in 2011 door Alastair Robinson, Joachim Nerz en Andreas Wistuba, wordt in de beschrijving een obligate epifyt genoemd: een plant die voor zover bekend nooit met zijn wortels in de bodem staat. Hij komt uit het kalksteenlandschap van Oost-Kalimantan en werd lange tijd gezien als een vorm van de wijdverbreide Nepenthes fusca. Het is een kleine, slanke plant met lange, smalle onderbekers en wijde trechtervormige bovenbekers.
Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.
Herkenning
Een klimstruikje van hooguit twee meter, met een dunne stengel tot 5 mm dik die groen tot roodpaars kan zijn. De bladeren in de rozet zijn leerachtig, lancetvormig tot smal elliptisch, tot 15 cm lang en 5 cm breed, met duidelijke lengtenerven en een gesteelde voet. De onderbekers zijn opvallend smal en cilindrisch, tot 20 cm hoog en maar 3 cm breed, met een schuine, eironde mond en een cilindrisch peristoom tot 6 mm; ze zijn meestal geel of olijfkleurig met rode spikkels. De bovenbekers hebben een heel andere vorm: trechtervormig, tot 15 cm hoog en tot 10 cm breed aan de mond, die horizontaal staat, met een breder peristoom dat aan de zijkanten tot 10 mm breed wordt. Ze zijn geelgroen, met rode strepen op het peristoom.
Gelijkende soorten
De soort lijkt sterk op Nepenthes fusca in de ruime, oude opvatting, waartoe hij vroeger werd gerekend; in de jaren negentig werd hij in de literatuur als N. fusca subsp. kostermansiana genoemd, een naam die nooit geldig is gepubliceerd. Van de fusca-groep onderscheidt N. epiphytica zich onder meer door de bovenbekers met hun wijde, horizontale mond en de standplaats op kalksteen. Binnen het N. maxima-complex, waartoe ook N. boschiana en N. platychila behoren, is hij de enige die uitsluitend epifytisch leeft.
De val en hoe hij werkt
Beide bekertypen zijn valkuilen met nectar op het peristoom en onder het deksel, een glad wordend peristoom en verteringsvloeistof onderin. Bij een epifyt staan ook de onderbekers niet op de grond maar in het mos en tussen de wortels op takken, zodat de gebruikelijke rolverdeling tussen de 'grondval' voor kruipend gedierte en de 'luchtval' voor vliegende insecten hier minder scherp is. De smalle, lange vorm van de onderbekers past bij het vangen van mieren en andere dieren die langs takken lopen, maar een prooistudie is niet gepubliceerd.
Standplaats en ecologie
Open bos op kalksteen rond 1000 m hoogte (R2, B5). De plant groeit uitsluitend epifytisch op bomen en struiken in dit open bos, waar het licht tot in de onderste takken doordringt. Kalksteen is voor Nepenthes een ongewone ondergrond, omdat de meeste soorten zure grond verkiezen; een epifyt heeft daar echter weinig last van, omdat zijn wortels in zuur mos en humus op de takken zitten, niet in de kalkrijke bodem.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Borneo, in de provincie Oost-Kalimantan; de soort is beschreven van de berg Nyapa in het regentschap Berau en is ook bekend uit het aangrenzende Oost-Kutai. Dit stemt overeen met de aanduiding 'Kalimantan' in de eigen soortenlijst. Het kalksteenlandschap van Berau en Oost-Kutai is uitgestrekt en weinig onderzocht, zodat de soort er vermoedelijk op meer plaatsen voorkomt.
- Inheems
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of wilde kleurvormen beschreven. De kleur van de onderbekers loopt uiteen van geel tot olijfgroen, met meer of minder rode spikkels, en de stengels van planten in de zon zijn vaak roder. Natuurlijke hybriden zijn niet gepubliceerd. Zoals alle kannenplanten is de soort tweehuizig: er zijn mannelijke en vrouwelijke planten, en voor zaadzetting moeten beide in bloei staan. De kleine, onopvallende bloemen staan in trossen of pluimen en worden door insecten bestoven; de zaden zijn licht en worden door de wind verspreid.
Waar en wanneer te zien
De kalkgebieden van Berau zijn bekender om hun grotten en karstrotsen dan om hun kannenplanten, en worden bezocht vanuit de kust. Omdat de soort alleen op bomen groeit, heeft het geen zin de grond af te zoeken: kijk naar het mos op takken in open bos op de kalkhellingen. De lange, smalle onderbekers hangen vaak tussen epifytische varens en orchideeën. Neem een verrekijker mee; veel planten zitten hoger dan ooghoogte.
Staat van instandhouding
Er is geen IUCN-beoordeling van deze soort (Not Evaluated). Wat bekend is: het verspreidingsgebied is klein en ligt in een regio van Oost-Kalimantan waar kalksteen wordt gewonnen voor cement en bos plaatsmaakt voor plantages en mijnbouw. Als epifyt is de soort bovendien afhankelijk van het bos zelf: waar de bomen verdwijnen, verdwijnt de plant. Als lid van het geslacht Nepenthes staat hij in CITES bijlage II. Voor liefhebbers is het goed te weten dat vrijwel alle soorten van het geslacht inmiddels via weefselkweek beschikbaar zijn; wie een plant wil kweken, heeft geen wilde planten nodig.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes epiphytica | Robinson, Nerz & Wistuba, 2011
Nepenthes epiphytica werd in 2011 beschreven door Alastair Robinson, Andreas Nerz en Andreas Wistuba, gepubliceerd in het boek New Nepenthes: Volume One van Stewart McPherson (p. 36-51). De regentschappen Berau en Oost-Kutai in Oost-Kalimantan, Borneo, op ongeveer 1000 m hoogte. De soortsnaam verwijst naar de epifytische groeiwijze van deze soort, die op andere planten groeit in plaats van in de bodem.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.