Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes ephippiata

Nepenthes ephippiata

De naam zegt waar je op moet letten: ephippiata komt van het Latijnse ephippium, zadelkleed, en verwijst naar de bladvoet, die als een zadel over de stengel valt en er aan weerszijden langs afloopt. De Nederlandse botanicus B.H. Danser beschreef de soort in 1928, in zijn monografie van de kannenplanten van Nederlands-Indië, op basis van opvallend weinig materiaal: een stuk stengel en een vruchtstand, verzameld in Centraal-Borneo. Pas veel later, met expedities naar de bergen van het binnenland, werd duidelijk hoe de bekers eruitzien: brede, bizar gevormde bovenbekers die sterk op die van de verwante Nepenthes lowii lijken. Het blijft een van de minst gekende kannenplanten van het eiland.

Nepenthes ephippiata
Foto: JeremiahsCPs at English Wikipedia in kweek — Public domain · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant van het bergbos, of in open begroeiing een niet-klimmende pol. Het beste veldkenmerk is de bladvoet: de basis van het blad is breed en loopt aan twee kanten langs de stengel af, zodat hij als een zadel over de stengel ligt. Bij klimmende planten is dat zadel volledig ontwikkeld; bij niet-klimmende planten uit het Hose-gebergte is het minder uitgesproken dan bij planten uit Centraal-Kalimantan. De onderbekers zijn cilindrisch en hebben een goed ontwikkeld peristoom. De bovenbekers zijn het opvallendst: breed, onderaan bol en naar de mond sterk verwijd, met een getand peristoom en korte, knobbelvormige aanhangsels onder het deksel. Voor deze gids zijn geen toetsbare maten gevonden, zodat de maatvelden leeg blijven.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Nepenthes lowii, een soort van de hogere bergtoppen verspreid over Borneo met vergelijkbaar gevormde, brede bovenbekers met een ingesnoerde taille. N. lowii heeft echter een vrijwel ontbrekend peristoom en een deksel met een dichte laag borstelharen aan de onderzijde, terwijl N. ephippiata een duidelijk, getand peristoom en korte knobbels onder het deksel heeft. Het zadelvormige blad is bovendien een kenmerk dat N. lowii mist. Een exemplaar uit het Hose-gebergte werd aanvankelijk als N. lowii gedetermineerd, wat laat zien hoe gemakkelijk de twee te verwarren zijn.

De val en hoe hij werkt

Zoals bij alle soorten van het geslacht is de beker een valkuil met nectar op het peristoom en onder het deksel, een glad wordend peristoom en verteringsvloeistof onderin. Bij de naaste verwant N. lowii is aangetoond dat de bovenbekers niet alleen insecten vangen, maar vooral uitwerpselen opvangen van boomspitsmuizen die op de beker zitten om de afscheiding van het deksel te likken; de plant haalt zo een groot deel van haar stikstof uit mest in plaats van uit prooi. Of N. ephippiata, met haar vergelijkbare bekervorm maar ander deksel, iets dergelijks doet, is niet onderzocht.

Standplaats en ecologie

Bergbos en nevelwoud tussen ongeveer 1000 en 1900 m hoogte (B1). De plant groeit in bemost bos op bergkammen, zowel op de grond als klimmend in de vegetatie. Het is een landschap met hoge luchtvochtigheid en zure, voedselarme bodems, waar mos stammen en takken bedekt en het bos naar de top toe steeds lager wordt. Meer gedetailleerde standplaatsgegevens zijn schaars, omdat de soort van weinig, moeilijk bereikbare bergen bekend is. Voor een kannenplant is zo'n standplaats gunstig: de voortdurende vochtigheid houdt de bekers gevuld en het peristoom glad, terwijl de arme bodem weinig stikstof en fosfor levert, zodat de extra voeding uit prooi een echt voordeel geeft.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Borneo, bekend uit het Hose-gebergte in centraal Sarawak en van de bergen Bukit Raya en Bukit Lesung in Kalimantan. Dat stemt overeen met de aanduiding 'Borneo (Kalimantan, Sarawak)' in de eigen soortenlijst. Oorspronkelijk was de soort alleen uit Kalimantan bekend; de vondst in het Hose-gebergte werd in 2004 door Ch'ien Lee als nieuwe waarneming voor Sarawak gepubliceerd. Tussen de bekende groeiplaatsen liggen honderden kilometers ononderzocht bergland.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 3 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of wilde kleurvormen beschreven. Er is wel variatie tussen populaties: niet-klimmende planten uit het Hose-gebergte hebben een minder sterk aflopende bladvoet dan planten uit Centraal-Kalimantan. Natuurlijke hybriden zijn niet bekend, wat gezien de afgelegen groeiplaatsen ook een gevolg van gebrek aan onderzoek kan zijn.

Waar en wanneer te zien

Alle bekende groeiplaatsen liggen diep in het binnenland van Borneo en vragen meerdaagse expedities. Bukit Raya ligt in een nationaal park op de grens van West- en Centraal-Kalimantan, en de beklimming is een tocht van vele dagen met plaatselijke gidsen. Wie de soort vindt, herkent haar het snelst aan het zadelvormige blad; de brede bovenbekers hangen in de vegetatie op de kammen. Een goede foto van beide bekertypen, met maatstok, vult een echte leemte in de kennis.

Staat van instandhouding

De IUCN Rode Lijst beoordeelt de soort als kwetsbaar (Vulnerable, beoordeling volgens de oudere criteria 2.3). Wat daarbij meespeelt: de soort is van weinig plaatsen bekend, die ver uit elkaar liggen, en bergbos in het binnenland van Borneo staat onder druk van houtkap en branden in droge jaren. Tegelijk beschermt de afgelegenheid de planten tegen verzamelaars. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes ephippiata | Danser, 1928

Nepenthes ephippiata werd in 1928 beschreven door Benedictus Hubertus Danser in zijn monografie "The Nepenthaceae of the Netherlands Indies" (Bulletin du Jardin Botanique de Buitenzorg), op basis van slechts een deel van een stengel en een vruchtstand. Borneo; de precieze verzamellocatie van het schaarse typemateriaal kon niet worden achterhaald. De soort komt endemisch voor in de Hose-bergen (Sarawak) en op de berg Raya en Bukit Lesung (Kalimantan), in montaan bos op 1000-1900 m hoogte. De naam komt van het Latijnse "ephippium" ("zadeldoek") en verwijst naar het karakteristieke zadelvormige blad, vandaar de Engelse bijnaam "saddle-leaved pitcher-plant".

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.