Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes ceciliae

Nepenthes ceciliae

Een bekerplant van Mindanao, in het zuiden van de Filipijnen, uit een van de soortenrijkste gebieden voor het geslacht buiten Borneo en Sumatra. Nepenthes ceciliae werd in 2011 beschreven door Gronemeyer, Coritico, Micheler, Marwinski, Acil en Amoroso, in het eerste deel van New Nepenthes van Stewart McPherson; de ontdekking was in augustus van dat jaar online aangekondigd. De soort is genoemd naar de Filipijnse botanica Cecilia Beltran-Amoroso, die in januari 2011 overleed en zich had ingezet voor het ex-situbehoud van Filipijnse bekerplanten. Ze groeit op ultramafische bodem op de Mount Kiamo.

Nepenthes ceciliae
Foto: Thomas Gronemeyer — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes ceciliae — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Thomas Gronemeyer — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vertakte klimplant tot 3 m, met ronde stengels tot 4 mm dik, geelgroen of roodachtig, met korte leden tot 2 cm. De hele plant is kaal. De bladeren zijn gesteeld, met een lijnvormige schijf tot 16 cm lang en 2,5 cm breed en een gevleugelde bladsteel tot 4 cm, met twee lengtenerven aan elke kant; de ranken zijn tot 20 cm lang en meestal gekruld. De onderbekers zijn tot 10 cm hoog en 3 cm breed, cilindrisch met een wisselend opgezwollen onderste derde, met vleugels tot 4 mm en draadvormige franje tot 3 mm, een schuine mond tot 3 cm, een afgeplat peristoom tot 4 mm met zeer fijne ribben, een hartvormig deksel tot 3,5 bij 4 cm en een ongedeeld spoortje tot 5 mm. Ze zijn licht geelgroen, dicht gemarmerd met grote, doffe, donkerrode, roestbruine of zwartachtige vlekken, binnen lichtgeel tot witachtig. De bovenbekers zijn geheel trechtervormig, tot 10 cm hoog en 4 cm breed, met vleugels die tot richels zijn teruggebracht; in volle zon zijn ze egaal geel, in de schaduw geelgroen.

Gelijkende soorten

Nepenthes ceciliae hoort bij de N. alata-groep van de Filipijnen, soorten met gevleugelde bladstelen, een deksel met een kam aan de voet van de onderkant, en bovenbekers die bij de voet het breedst zijn. Aanvankelijk werd gedacht dat ze tot N. copelandii zou kunnen behoren. N. pulchra, die op dezelfde berg voorkomt en ermee kruist, verschilt in bekervorm en kleur. De afwezigheid van beharing en de lijnvormige, gesteelde bladeren helpen bij het onderscheid binnen de groep.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil met twee bekertypen. De gevlekte onderbekers staan op of vlak boven de grond en vangen lopende dieren; de gele, trechtervormige bovenbekers hangen in de open vegetatie en vangen vooral vliegende insecten, en hun egale gele kleur in volle zon maakt ze van ver zichtbaar. Het peristoom is smal, met zeer fijne ribben van ongeveer een tiende millimeter hoog en ver, die bij vocht toch een glad oppervlak vormen. Nectarklieren op de rand en onder het deksel lokken de prooi naar de mond.

Standplaats en ecologie

Open bovenmontane vegetatie op ultramafische bodem (R3, R5), tussen 1500 en 1880 m, met overgangen naar bergbos (B1). Ultramafische grond, rijk aan zware metalen en arm aan de gewone voedingsstoffen, houdt de vegetatie laag en open, en biedt bekerplanten volop licht. Op Mindanao groeien meerdere Nepenthes-soorten op zulke bodems.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op de Filipijnen, en alleen bekend van de Mount Kiamo op het eiland Mindanao. De wereldchecklist geeft de Filipijnen als gebied. De naaste verwanten uit de N. alata-groep groeien elders op de Filipijnen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten beschreven. De kleur van de bovenbekers hangt af van de lichtval: egaal geel in volle zon, geelgroen in schaduw. Er is een natuurlijke hybride bekend met N. pulchra, die op dezelfde berg groeit.

Waar en wanneer te zien

De Mount Kiamo ligt in het binnenland van Mindanao; bezoek vereist toestemming van de lokale gemeenschap en autoriteiten en een ervaren lokale gids. In het open, lage bovenmontane terrein vallen de gele bovenbekers al van afstand op; de gevlekte onderbekers zitten laag tussen de vegetatie. Ultramafische bodems zijn vaak rood of oranje en makkelijk te herkennen; daar begint het zoeken.

Staat van instandhouding

De soort is niet door de IUCN beoordeeld (NE). De beschrijvers stelden voor haar als kwetsbaar (Vulnerable) te beschouwen: ze is van één berg bekend, en het open bovenmontane leefgebied op ultramafische grond is beperkt van omvang. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II. Bedreigingen zijn brand, verzamelen en mogelijk mijnbouw, die in veel ultramafische gebieden van de Filipijnen plaatsvindt.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes ceciliae | Gronemeyer, Coritico, Micheler, Marwinski, Acil & Amoroso, 2011

Nepenthes ceciliae werd in 2011 beschreven door Thomas Gronemeyer, Franco Coritico, Volker Micheler, Wolfram Marwinski, Danilo Acil en Victor B. Amoroso, gepubliceerd in het boek New Nepenthes: Volume One (p. 412-423); de ontdekking werd al in augustus 2011 online aangekondigd. De berg Kiamo, Mindanao, Filipijnen, op 1500-1880 m hoogte. Wie precies met "Cecilia" wordt geëerd, kon niet met zekerheid worden achterhaald in de toegankelijke bronnen.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.