Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Heliamphora hispida
Heliamphora hispida
Cerro de la Neblina, de 'berg van de mist', is de zuidelijkste en hoogste tafelberg van het Guyanaschild en ligt precies op de grens van Venezuela en Brazilië. Op het zuidelijke deel van dat enorme, diep ingesneden plateau groeit Heliamphora hispida, in 2000 door Nerz en Wistuba beschreven. De soort reikt tot dicht bij de toppen en markeert daarmee de bovengrens van het hele geslacht.

Herkenning
Een rozet van rechtopstaande bekerbladen, elk gevormd uit één blad dat tot een trechter is dichtgegroeid met een naad over de voorzijde. Het kenmerk dat de soort haar naam gaf, zit aan de buitenkant: de bekers zijn dicht bezet met stijve, borstelige haren, waar hispidus, ruwharig, naar verwijst. Bij goed licht geeft die beharing de plant een matte, vilterige aanblik in plaats van de glanzende die de meeste verwanten hebben, en met tegenlicht tekent een fijne rand van haren zich af tegen de lucht. Bovenop de achterrand staat het nectarlepeltje, het kleine orgaan dat bij Heliamphora de plaats inneemt van de brede kap die Sarracenia draagt. De bekerwand verbreedt zich naar boven, en de kleur loopt van geelgroen bij planten in de luwte tot rood bij planten in vol licht. De bloeiwijze is een eenzijdige tros op een lange steel, met knikkende bloemen van doorgaans vier tepalen die tijdens de bloei verkleuren en verharden.
Gelijkende soorten
Cerro de la Neblina huisvest meer soorten van het geslacht, dus determineren op naam van de berg alleen gaat hier niet op. Heliamphora neblinae, van hetzelfde massief, is beduidend groter en mist de dichte borstelbeharing van de buitenkant. Heliamphora tatei en verwanten uit die groep zijn in het veld al van een afstand te scheiden doordat ze een echte, houtige stengel vormen en dus niet als vlakke rozet op de grond blijven; hispida is en blijft een rozetplant. Heliamphora parva van dezelfde streek is kleiner en anders behaard. Voel desnoods met een vinger langs de buitenwand: de stugge, borstelige haren van deze soort zijn ook op de tast te onderscheiden van het zachte, wollige dons dat bij sommige verwanten voorkomt. Verwarring met Sarracenia is geografisch uitgesloten.
De val en hoe hij werkt
Een bekerval van het valkuiltype. De plant maakt zelf weinig tot geen verteringsenzymen; micro-organismen in de bekervloeistof breken de prooi af en de plant neemt daarna de vrijkomende stikstof- en fosforverbindingen op. Het nectarlepeltje op de achterrand is het lokorgaan: daar wordt nectar afgescheiden, en een insect dat erop afkomt staat precies boven de opening. De bovenste zone van de binnenwand draagt naar beneden gerichte haren, zodat een poging om terug omhoog te lopen mislukt; daaronder is de wand glad. Een afwateringsspleet houdt het vloeistofpeil op hoogte. De dichte beharing aan de buitenkant heeft met de vangst zelf niets te maken; bij planten van zulke hoogten wordt beharing doorgaans in verband gebracht met felle instraling en sterke uitstraling 's nachts, maar voor deze soort is dat niet onderzocht.
Standplaats en ecologie
Het topplateau van de tafelberg (R4): een landschap van kaal zandsteen, spleten en kommen waarin zich zure turf verzamelt, zonder bodem in de gewone zin. Daarbinnen staat de plant vooral op de natte plekken met veenmos (W1), waar het water blijft staan of traag doorsijpelt. Het substraat is extreem arm aan stikstof en fosfor en wordt door de aanhoudende regen voortdurend uitgeloogd. Het klimaat op Neblina is zelfs naar tepui-maatstaven nat en koel: de berg dankt zijn naam aan de wolken die er vrijwel permanent omheen hangen, en dicht bij de toppen vriest het 's nachts bij tijden. De soort groeit tot in dat bovenste, schrale gedeelte en is daarmee de Heliamphora die het hoogst komt.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op het massief van Cerro de la Neblina, op de grens van de Venezolaanse deelstaat Amazonas en de Braziliaanse staat Amazonas, en daarbinnen beperkt tot het zuidelijke deel van het plateau, in de omgeving van de hoogste toppen. De groeiplaatsen liggen ruwweg tussen 1800 en bijna 3000 m; geen enkele andere soort van het geslacht is zo hoog gevonden. Het geslacht als geheel blijft beperkt tot de tafelbergen van het Guyanaschild, in Venezuela, westelijk Guyana en het uiterste noorden van Brazilië, en Neblina is daarvan de zuidelijke buitenpost: de berg ligt ver van de oostelijke tepuis en heeft een eigen groepje soorten die nergens anders voorkomen.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of ondersoorten beschreven. Wel is er variatie in de dichtheid en de lengte van de beharing en in de kleur van de bekers, die van geelgroen tot rood loopt naargelang de stand ten opzichte van het licht; geen van beide is met een naam vastgelegd. Natuurlijke hybriden met de andere soorten van Neblina zijn niet gedocumenteerd, al staan die soorten op hetzelfde massief. Dat kan aan de standplaatsen liggen — hispida houdt het hoogste terrein bezet — maar ook simpelweg aan de zeer geringe onderzoeksintensiteit: het plateau van Neblina is een van de minst bezochte plekken van het continent.
Waar en wanneer te zien
Dit is de moeilijkst bereikbare soort van het geslacht. Het massief ligt in beschermd grensgebied dat aan beide zijden alleen met vergunning betreden mag worden, en de tocht naar boven duurt dagen. Wie er komt, herkent de plant het snelst aan de matte, vilterige buitenkant van de beker: strijk niet, maar kijk met de zon in de rug én met tegenlicht, want juist met tegenlicht lichten de borstelharen als een zilveren zoom op. Let ook op de groeivorm van wat ernaast staat — een plant met een duidelijke stengel is geen hispida. De bloeitijd van de soort is niet in de literatuur vastgelegd.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst en er is geen CITES-vermelding: Heliamphora staat in geen enkele bijlage. Bekend is dat de verspreiding beperkt blijft tot één massief en daarbinnen tot het hooggelegen zuidelijke deel — een klein gebied, en dus kwetsbaar voor iedere verandering die daar optreedt, waaronder verschuiving van de wolkenbasis bij een veranderend klimaat, wat voor hooggelegen tepui-planten als het reëelste risico geldt. Daar staat tegenover dat Neblina aan beide kanten van de grens in een nationaal park ligt, dat bezoek vergunningplichtig is en dat de afgelegen ligging bijna elke vorm van druk uitsluit. Verzamelen voor de handel speelt hier nauwelijks; kweekmateriaal komt uit zaad en weefselkweek. Het ontbreken van een beoordeling weerspiegelt de onderzoeksachterstand, niet een vastgestelde achteruitgang.
Wetenschappelijke naam
Heliamphora hispida | Wistuba & Nerz, 2000
Beschreven door Andreas Wistuba en Joachim Nerz in 2000, in Carnivorous Plant Newsletter 29(2): 37–41. Het typegebied ligt op de Cerro Neblina, de zuidelijkste tepui van het Guyana-hoogland, aan de grens van Brazilië en Venezuela. De soortnaam hispida is Latijn voor "stekelig behaard, ruw behaard" en verwijst naar het dicht behaarde oppervlak van de plant — het tegendeel van de kale H. glabra.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.