Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Heliamphora exappendiculata

Heliamphora exappendiculata

Vrijwel elke Heliamphora draagt boven op de achterrand van de beker een klein lepeltje waarmee nectar wordt aangeboden. Heliamphora exappendiculata is de soort die dat aanhangsel is kwijtgeraakt — de naam zegt het letterlijk: ex zonder, appendicula klein aanhangsel. Maguire en Steyermark beschreven de plant in 1978 nog als een variëteit van Heliamphora heterodoxa; Nerz en Wistuba verhieven haar in 2006 tot soort, juist op grond van die afwijkende bouw.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Een rozet van bekerbladen, elk gevormd uit één blad dat tot een trechter is dichtgegroeid met een naad over de voorzijde. Twee dingen vallen op. Ten eerste de achterrand: waar verwante soorten daar een duidelijk steeltje met een kapvormig lepeltje dragen, is het nectarorgaan hier teruggetrokken in de top van de beker zelf, zodat het van buiten nauwelijks of niet als los uitsteeksel te zien is — op afstand lijkt de bekerrand gewoon dicht te lopen. Ten tweede de mond: die is opvallend vlak en breed uitgespreid in plaats van schuin oplopend, wat de beker van bovenaf een open, bijna schotelvormig aanzien geeft. Voor het overige is de plant een doorsnee Heliamphora: de bekerwand verbreedt zich naar boven, de kleur loopt van geelgroen in het donker tot rood in vol licht, en de bloeiwijze is een eenzijdige tros op een lange steel met knikkende bloemen. Wie in het veld twijfelt, kijkt naar dat ene punt boven de mond.

Gelijkende soorten

De soort deelt haar bergen met verwanten waarmee ze werkelijk te verwarren valt, en dat maakt haar lastiger dan de meeste. Heliamphora pulchella, van hetzelfde Chimantá-massief, heeft wél een nectarlepeltje, breed aangehecht, en een dicht behaarde bekerbinnenkant. Heliamphora huberi, eveneens van Chimantá, draagt een duidelijk vrijstaand lepeltje. Heliamphora heterodoxa, waarvan deze plant lang als variëteit gold, heeft een normaal ontwikkeld aanhangsel en groeit bovendien elders. Het probleem zit hem niet in de soorten zelf maar in de hybriden: waar exappendiculata samen met pulchella of huberi staat, komen planten voor met een half gereduceerd lepeltje, en die zijn in het veld niet met zekerheid te plaatsen. Kijk dan naar de standplaats: een plant op een druipende rotswand is eerder deze soort dan een plant in open veen.

De val en hoe hij werkt

Een bekerval die op twee manieren aan voedsel komt. De gewone weg is die van het hele geslacht: micro-organismen in de bekervloeistof breken gevangen insecten af en de plant neemt de vrijkomende voedingsstoffen op, want eigen verteringsenzymen maakt ze nauwelijks. Maar de vlak uitgespreide bekermond doet hier nog iets anders. Hij werkt als een landingsplatform waarop van boven vallend materiaal terechtkomt: bladafval, takjes en insecten die uit de omringende begroeiing naar beneden komen. Vooral op de beschaduwde rotswanden, waar de planten onder overhangende vegetatie staan, vult de beker zich met organisch detritus dat na vertering evengoed stikstof levert. Dezelfde strategie is bekend van Heliamphora ionasi. Een afwateringsspleet in de wand houdt het vloeistofpeil constant, wat op een plek waar dag in dag uit water over de rots trekt geen overbodige voorziening is.

Standplaats en ecologie

Twee heel verschillende standplaatsen. De opvallendste is de natte rotswand (R1): steile kloofwanden en ravijnen, vaak in de buurt van watervallen, waar het gesteente permanent door sijpelwater wordt natgehouden en de planten letterlijk op de rots groeien, met weinig meer dan een laagje mos en detritus als houvast. Daarnaast komt de soort voor op de toppen zelf (R4), in open savanne-achtige vegetatie en in laag struweel op het plateau. Beide milieus zijn extreem voedselarm en vrijwel permanent vochtig; de massieven liggen een groot deel van de dag in de wolken. De voorkeur voor schaduwrijke, verticale plekken onderscheidt deze soort in het veld van de meeste verwanten, die eerder in open veen staan.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in de deelstaat Bolívar, Venezuela, op twee naburige tafelbergcomplexen: het Aprada-massief, met de Aprada- en Araopán-tepui, en het grotere Chimantá-massief, waar de soort van verschillende deeltepuis bekend is, waaronder Apacará, Akopán, Amurí, Churí en Toronó. De groeiplaatsen liggen ruwweg tussen 1700 en 2100 m. Het geslacht als geheel blijft beperkt tot de tafelbergen van het Guyanaschild. Het Chimantá-massief is binnen dat gebied een uitschieter: het bestaat uit een groot aantal aan elkaar grenzende plateaus en herbergt meer soorten van het geslacht dan enige andere berg, waardoor juist daar de kans op ontmoeting en kruising tussen soorten groot is.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten beschreven sinds de plant tot soort is verheven; de oorspronkelijke naam Heliamphora heterodoxa var. exappendiculata is alleen nog van historisch belang. Wel verschillen de planten per berg merkbaar in bekervorm en in de mate waarin de bekermond is afgeplat, zonder dat daar namen aan zijn gegeven, en er is de gebruikelijke kleurvariatie tussen groene planten in de schaduw en rode planten in het licht. Belangrijker is de wilde kruising: natuurlijke hybriden zijn bekend met Heliamphora pulchella en met Heliamphora huberi, beide op het Chimantá-massief, waar de soorten elkaar op korte afstand raken. Die hybriden zijn intermediair in de bouw van het nectarorgaan en vormen in de praktijk de grootste determinatievalkuil van deze soort.

Waar en wanneer te zien

De massieven zijn alleen per helikopter of via een meerdaagse tocht met gids bereikbaar en liggen in beschermd gebied. Zoek niet in de eerste plaats op het open plateau maar langs de randen van kloven en bij watervallen: daar hangen de planten op natte wanden, vaak in gezelschap van mossen en levermossen, en daar is de soort op haar herkenbaarst. Neem de tijd om één beker van opzij te bekijken tegen een lichte achtergrond; het ontbreken van het lepeltje is een negatief kenmerk en dus alleen betrouwbaar als je het goed ziet. Staat er in de buurt ook Heliamphora pulchella of huberi, houd dan rekening met hybriden. De bloeitijd is niet in de literatuur vastgelegd.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst en er is geen CITES-vermelding: Heliamphora staat in geen enkele bijlage. Het beeld is hier gunstiger dan bij veel verwanten: de soort komt voor op twee massieven en binnen het Chimantá-complex op meerdere plateaus, wat haar verspreidingsgebied naar de maatstaven van dit geslacht ruim maakt. De standplaats werkt bovendien in haar voordeel, want steile natte rotswanden zijn slecht toegankelijk en daardoor nauwelijks te bereiken voor verzamelaars. Verzamelen voor de handel wordt voor het geslacht als risico genoemd, maar kweekmateriaal komt inmiddels vrijwel uitsluitend uit zaad en weefselkweek. Dat een formele beoordeling ontbreekt, weerspiegelt hier de onderzoeksachterstand in het Pantepui-gebied en geen vastgestelde achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Heliamphora exappendiculata | (Maguire & Steyermark) Nerz & Wistuba, 2006

Oorspronkelijk beschreven onder een ander taxon door Bassett Maguire en Julian Steyermark; in 2006 door Joachim Nerz en Andreas Wistuba als eigen soort Heliamphora exappendiculata gepubliceerd, in Carnivorous Plant Newsletter 35(2): 43–51. Het typegebied ligt op de massieven Chimantá en Aprada in de deelstaat Bolívar, Venezuela. De soortnaam exappendiculata is samengesteld uit het Latijnse ex ("zonder") en appendicula ("aanhangseltje") en verwijst naar het ontbreken van het kleine nectarlepeltje dat verwante soorten wel hebben.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.