Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera peltata

Drosera peltata

Deze soort, in het Engels 'shield sundew', is het uitgangspunt van een van de lastigste naamkwesties in het geslacht. Twee eeuwen lang werd onder Drosera peltata een enorm variabele knolvormende zonnedauw verstaan die van India en Japan tot Tasmanië zou voorkomen. Sinds de herzieningen van Gibson, Conn en collega's (2010–2014) en De Salas (2018) is die brede soort opgedeeld in zeven soorten, en blijft de naam D. peltata in strikte zin over voor een slanke, roodachtige plant van de natte gronden van Zuidoost-Australië.

Drosera peltata
Foto: Harry Rose from South West Rocks, Australia — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera peltata — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Lee Barber — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera peltata — de bloem
De bloem · Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Uit een kleine roze tot rode knol van hooguit 6 mm doorsnee groeit in het groeiseizoen eerst een rozet van 4 tot 11 kleine, niet-schildvormige bladeren, en daarna een rechtopstaande, meestal onvertakte en vaak rood aangelopen stengel van 7 tot 47 cm. Langs die stengel staan op lange steeltjes de eigenlijke vangbladeren: kleine, halvemaanvormige schijfjes van 1 tot 4,5 mm, schildvormig ingeplant, met aan beide 'hoorns' langere randtentakels. Bij D. peltata in strikte zin is de stengel dun en vaak spaarzaam bebladerd. De witte, soms roze bloemen staan in een eindstandige tros; de kroonbladen zijn 2,5 tot 5 mm lang, de kelkbladen dicht behaard met gefranjerde rand. De drie stijlen zijn elk in zo'n 15 tot 25 slippen gedeeld.

Gelijkende soorten

De verwarring zit volledig binnen het complex. Drosera auriculata heeft volkomen kale kelkbladen en lange cilindrische zaden; D. hookeri is kleiner, felgeelgroen, vaak vanaf de voet vertakt, met witte knollen en slechts spaarzaam behaarde kelkbladen; D. gunniana is steviger en bebladerder, met langere kelkharen (meer dan 0,8 mm) en grotere, roze drogende kroonbladen van 5 tot 8 mm; D. gracilis heeft kliervormige kelkharen en zaden met een snavelvormig puntje. Betrouwbare determinatie vraagt dus een loep op de kelk en liefst rijp zaad.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op een opvallende drager. Elk schildvormig blaadje is een miniatuurvanger: de randtentakels, vooral die op de twee punten van de halve maan, zijn lang en buigen snel naar een aangekleefd insect, waarna de kortere tentakels in het midden het vertering overnemen. Doordat de bladeren op verschillende hoogten langs de stengel staan, vangt de plant vliegende insecten tot een halve meter boven de grond. Bij sommige vormen leunt de stengel met de kleverige blaadjes tegen omringende vegetatie aan.

Standplaats en ecologie

Wetlands aan de kust en op de hoogvlakten, altijd op natte, vaak venige grond (W4): moerasranden, natte graslanden en seizoensmoerassen die 's winters onderlopen en 's zomers opdrogen (W7). Ook natte bermen en greppels worden gekoloniseerd (H2). De soort overleeft de droge zomer als knol in de grond en loopt weer uit wanneer de herfst- en winterregens komen; op hogere, koudere plekken kan de rustperiode in de winter vallen. De hoogte loopt van zeeniveau tot minstens 1600 m.

Verspreiding en hoogte

In strikte zin: Zuidoost-Australië — New South Wales, het Australian Capital Territory, Victoria, Zuid-Australië en Tasmanië — met daarnaast opgaven uit alpien Nieuw-Guinea. In de oude, brede opvatting (zoals nog in veel databanken en in de gebiedsomschrijving 'van India tot Australië') omvat de naam ook de planten van Zuid- en Oost-Azië, Nieuw-Zeeland en Zuidwest-Australië; volgens de herziening horen de Aziatische planten bij D. lunata en de Nieuw-Zeelandse bij D. auriculata en D. gunniana.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 272 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Het complex is opgesplitst in D. peltata, D. auriculata, D. hookeri, D. gunniana, D. gracilis, D. yilgarnensis (Zuidwest-Australië) en D. lunata (Azië). De belangrijkste kenmerken daarbij zijn de dichtheid en het type beharing op de kelkbladen, de vorm en grootte van het zaad, de kleur van de knol en het aantal slippen van de stijlen. Niet alle databanken volgen deze indeling al, en oudere literatuur en herbariumetiketten gebruiken D. peltata vrijwel steeds in de brede zin. Wie waarnemingen vergelijkt, moet dus nagaan welk soortbegrip bedoeld is.

Waar en wanneer te zien

Zoek in de Australische lente in natte, zonnige laagten: moerasranden, natte weiden en greppels op heide. De rechtopstaande stengels met hun glinsterende schildjes vallen tussen laag gras goed op, zeker bij laagstaande zon van opzij. Neem een loep mee en bekijk de kelk van een bloem of knop: dichte, korte haren wijzen op D. peltata in strikte zin, een kale kelk op D. auriculata. Graaf nooit knollen uit; de plant overleeft alleen dankzij die knol.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); die beoordeling heeft betrekking op de brede opvatting met een zeer groot areaal. De soort staat niet in CITES. Voor D. peltata in strikte zin is geen aparte wereldwijde beoordeling bekend; de soort is in Zuidoost-Australië wijdverbreid, al zijn natte kustgebieden door ontwatering en bebouwing sterk ingekrompen. Door de taxonomische splitsing verdient ook de status van de afzonderlijke soorten opnieuw aandacht.

Wetenschappelijke naam

Drosera peltata | Thunberg, 1797

Drosera peltata werd in 1797 beschreven door de Zweedse botanicus Carl Peter Thunberg, gepubliceerd in zijn dissertatie (Dissert. deel 2, pagina 295); in hetzelfde jaar publiceerde ook James Edward Smith een naam onder dezelfde combinatie, zodat er twee onafhankelijke publicaties uit 1797 naast elkaar bestaan. De precieze typelocatie, verzamelaar en verzameldatum van het typemateriaal konden niet met zekerheid worden achterhaald (mede door de dubbele 1797-publicatie); de soort komt van nature voor in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Zuidoost-Azië. Het epitheton peltata is beschrijvend Latijn voor "schildvormig" en verwijst naar de vorm van de stengelbladeren (cauline bladeren) van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.