Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera ordensis
Drosera ordensis
Drosera ordensis is een lid van het D. petiolaris-complex: een rozet van brede, zilverig glanzende bladstelen met aan elk uiteinde een rood, kleverig schijfje. De naam verwijst naar de Ord River in het noordoosten van de Kimberley, het gebied waar de soort voorkomt, op de grens van West-Australië en het Northern Territory.



Herkenning
Een meerjarige, stengelloze rozet, meestal rond 8 cm breed maar bij grote exemplaren tot 20 cm. De bladstelen zijn breed en dicht bezet met zilverige haren, waardoor de rozet van een afstand grijswit oplicht. Aan het eind van elke steel zit een rond vangschijfje met kliertentakels. In de droge tijd maakt de plant kleinere, sluimerende bladeren die door hun beharing tegen uitdroging beschermd zijn. De vijftallige bloemen zijn roze tot bijna wit, ongeveer 1,5 cm in doorsnee, en staan in dichte trossen die van onder naar boven opengaan.
Gelijkende soorten
De zilverige, brede bladstelen maken hem binnen het complex vrij goed herkenbaar. Drosera derbyensis, eveneens behaard, heeft smallere stelen met wollige in plaats van zilverig glanzende haren, witte bloemen en groeit in het westen van de Kimberley. D. dilatatopetiolaris heeft ook verbrede stelen, maar die zijn groen en veel minder behaard. D. petiolaris en D. fulva hebben smallere, minder opvallend behaarde stelen.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De ronde schijfjes aan de uiteinden van de stelen dragen kliertentakels die kleine geleedpotigen met kleverig slijm vangen; de tentakels buigen naar de prooi en de klieren nemen na vertering de voedingsstoffen op. De zilverige haren op de stelen spelen geen rol bij de vangst en dienen als bescherming tegen uitdroging en sterke zon.
Standplaats en ecologie
Zandige grond bij zandsteenuitstulpingen (D2) in savanne en open bosland (B6), op plekken die in de regentijd nat worden (W7). De soort groeit vaak tussen wilde Sorghum-grassen. Het klimaat is halfdroog tot tropisch, met een uitgesproken droge tijd waarin de plant zich terugtrekt in kleinere, behaarde bladeren.
Verspreiding en hoogte
Het uiterste noordoosten van West-Australië, in de omgeving van Kununurra, en het aangrenzende Keep River National Park in het Northern Territory. De soort is daarmee niet tot de Kimberley beperkt, zoals de gebiedsomschrijving suggereert, maar reikt net over de grens met het Northern Territory. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten onderscheiden. De soort varieert vooral in grootte: de meeste rozetten blijven rond 8 cm, maar onder gunstige omstandigheden worden ze tot 20 cm breed. De bloemkleur loopt van helder roze tot bijna wit. De soort werd door Allen Lowrie beschreven als onderdeel van zijn herziening van het D. petiolaris-complex.
Waar en wanneer te zien
Zoek in de regentijd, december tot april, op zandgrond aan de voet van zandsteenrotsen rond Kununurra en in het Keep River National Park. De zilveren rozetten zijn tussen het gras en de rotsen goed zichtbaar, vooral in tegenlicht. De regentijd is heet en de wegen kunnen onbegaanbaar zijn: informeer vooraf naar de toegankelijkheid van het park en neem ruim water mee.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Een deel van het areaal ligt in het Keep River National Park. Rond Kununurra zijn uitbreiding van irrigatielandbouw en bebouwing mogelijke lokale bedreigingen, evenals veranderingen in het brandregime en de verspreiding van invasieve grassen.
Wetenschappelijke naam
Drosera ordensis | Lowrie, 1994
Drosera ordensis werd in 1994 beschreven door Allen Lowrie, in het tijdschrift Nuytsia, deel 9, aflevering 3, pagina 365 (het tijdschrift van het West-Australische Herbarium). Het typespecimen werd door Allen Lowrie verzameld op 1 april 1988 aan Weaber Plains Road, 7,6 km ten noorden van Hidden Valley Caravan Park bij Kununurra, in de East Kimberley-regio van West-Australië, op zandige, uit zandsteen verweerde bodem. De soort was al in 1951 voor het eerst waargenomen, maar pas op basis van dit latere materiaal formeel beschreven. Het epitheton ordensis is een toponiem: het verwijst naar de Ordrivier in het noorden van Australië, in de regio waar de soort voorkomt (rond Kununurra in West-Australië en aangrenzend Noordelijk Territorium).
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.