Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera linearis

Drosera linearis

De enige zonnedauw van Noord-Amerika die zich thuis voelt in kalkrijk water. Drosera linearis is een plant van de basenrijke kwelvenen rond de Grote Meren en verspreid door Canada, waar grondwater vol opgeloste kalk aan de oppervlakte komt en soms zelfs een witte laag mergel afzet. Het is een onopvallende, smalbladige zonnedauw — maar evolutionair een sleutelsoort: samen met D. rotundifolia is hij de stamouder van D. anglica, die door verdubbeling van het chromosoomaantal uit hun kruising is ontstaan.

Drosera linearis
Foto: Reuven Martin — CC0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een overblijvende rozet van schuin tot recht omhoog staande bladeren. Elk blad heeft een kale bladsteel en een lijnvormige bladschijf van 1 tot 6 cm lang en slechts 1,5 tot 3 mm breed, met evenwijdige randen en een stompe top; de tentakels staan op de bovenzijde en langs de rand. De bloemstengel is kaal, 6 tot 13 cm hoog, en draagt één tot vier witte bloemen van 6 tot 8 mm breed met omgekeerd eironde kroonbladen. De zaden zijn zwart en 0,5 tot 0,8 mm lang. Het chromosoomaantal is 2n = 20. De plant overwintert als winterknop.

Gelijkende soorten

Drosera anglica, die vaak op dezelfde plekken staat, lijkt het meest: die heeft een langwerpig-spatelvormige schijf die naar de top breder wordt, terwijl die bij D. linearis over de hele lengte even breed blijft. Tussen die twee ontstaat soms een onvruchtbare hybride met tussenvormen. D. rotundifolia heeft een ronde schijf en is niet te verwarren; D. intermedia heeft een korte, spatelvormige schijf op een lange steel en een zijdelings vertrekkende bloemstengel.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De tentakels langs de smalle bladschijf dragen elk een kleverige druppel; een klein insect dat erin terechtkomt, blijft vastzitten, en de tentakels buigen naar de prooi toe. Een lang, smal blad kan zich om een prooi heen krommen, maar niet zo volledig sluiten als een ronde bladschijf. De vangst bestaat vooral uit kleine muggen en vliegjes van het ven. Zoals bij alle zonnedauwen zorgen enzymen uit de klieren voor de vertering en worden de vrijgekomen stikstof en fosfor door het blad opgenomen.

Standplaats en ecologie

Kalkrijke, permanent natte kwelvenen en mergelvlakten waar basenrijk grondwater aan de oppervlakte komt (W5), en open, natte delen van andere venen met toestroom van mineraalrijk water uit de omgeving (W4). De grond is voedselarm aan stikstof en fosfor maar rijk aan kalk — een zeldzame combinatie. De plant staat in open, lage vegetatie van zeggen en bruine mossen, vaak op mergel of in ondiepe, heldere plasjes. Schaduw en verrijking verdraagt hij niet.

Verspreiding en hoogte

Noord-Amerika: het Grote Merengebied (Michigan, Wisconsin, Minnesota, Ontario), Maine, Quebec, New Brunswick en Newfoundland, en verspreid westwaarts door Manitoba, Saskatchewan en Alberta tot Brits-Columbia, de Northwest Territories en Montana. Over het grootste deel van dat areaal is hij zeldzaam en slechts plaatselijk algemeen. Hij komt niet buiten Noord-Amerika voor. Een gepubliceerd hoogtebereik is niet gevonden; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 107 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten of vormen onderscheiden. Van belang is de rol van de soort als ouder: de kruising D. linearis × D. rotundifolia is onvruchtbaar, maar de chromosoomverdubbelde vorm daarvan is als D. anglica uitgegroeid tot een zelfstandige, circumboreale soort. Ook met D. anglica vormt D. linearis onvruchtbare hybriden. Die horen in deze gids bij de ouders.

Waar en wanneer te zien

Juli en begin augustus is de beste tijd. Zoek in open kalkvenen, bij voorkeur waar het grondwater zichtbaar opwelt of waar een witte mergellaag de bodem bedekt; de plant staat laag tussen de zeggen. Een verrekijker met dichtbij-focus helpt om de smalle bladeren te onderscheiden van die van D. anglica zonder het veen in te hoeven. Veel van deze venen zijn beschermd en uiterst kwetsbaar; houd je aan de paden en planken.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde IUCN-Rode Lijst geldt de soort als niet bedreigd (LC); in CITES staat hij niet. Plaatselijk is hij zeldzaam en beschermd, bijvoorbeeld in Minnesota, waar hij als bedreigd geldt. Kalkvenen zijn kwetsbaar voor ontwatering, veranderingen in de grondwaterstroom door ontgronding en bebouwing, en verrijking met meststoffen; omdat de soort zo aan dit specifieke habitat gebonden is, verdwijnt hij snel waar de kwel ophoudt.

Wetenschappelijke naam

Drosera linearis | Goldie, 1822

Beschreven door Goldie, gepubliceerd in Edinburgh Philosophical Journal (1822), p. 325. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort komt voor in moerassen van de Great Lakes-regio en oostelijk Canada, Noord-Amerika. Van het Latijnse linearis ("lijnvormig") — verwijst naar de smalle, lijnvormige bladeren (1-6 cm lang, 1,5-3 mm breed).

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.