Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera indica
Drosera indica
Drosera indica is geen rozetplant maar een slank, rechtopstaand of klimmend kruid met lange, draadvormige bladeren — een van de zonnedauwsoorten die het minst op het klassieke beeld lijken. De soort gold lang als een van de wijdst verspreide soorten van het geslacht, van Afrika via Azië tot Australië. Sinds de revisies van rond 2000 is dat beeld ingrijpend veranderd: de Australische planten blijken tot een reeks eigen soorten te behoren, en de ware D. indica wordt in Australië inmiddels als afwezig beschouwd.



Herkenning
Een eenjarig, onvertakt kruid van 5 tot 50 cm, met een vezelig wortelstelsel. Jonge planten staan rechtop; oudere worden slap en gaan liggen of klauteren door de omringende vegetatie, waarbij alleen de jongste groei nog omhoog wijst. De bladeren zijn smal lijnvormig, tot 10 cm lang, geelgroen tot kastanjebruin, en staan verspreid langs de stengel; ze zijn aan de top vaak ingerold als een varenkrul. Over de hele lengte staan kleverige tentakels. Tegenover de bladeren verschijnen de bloeitrossen met vijfdelige bloemen in wit, roze, oranje of paars. Het chromosoomaantal is 2n = 28.
Gelijkende soorten
De verwarring zit vooral binnen de eigen sectie Arachnopus, de zogenoemde D. indica-groep. In Australië gaat het om soorten als D. finlaysoniana, D. hartmeyerorum, D. serpens, D. aquatica, D. glabriscapa en D. fragrans, die onderling verschillen in de verdeling van kliertentakels en enkelvoudige haren, de bouw van de helmknoppen en de vorm en tekening van het zaad. D. finlaysoniana, die ook in Zuidoost-Azië voorkomt, heeft bijvoorbeeld normale in plaats van kapvormige helmknoppen en kleine, netvormig getekende zaden. Veldherkenning is vaak alleen met loep en rijp zaad betrouwbaar.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval over de hele lengte van het blad. De lange tentakels vangen vooral vliegende insecten die tegen de bladeren aan vliegen of erop landen. Het blad buigt langzaam naar de prooi en kan zich eromheen krullen; bij grotere vangst werken meerdere bladeren samen doordat de klimmende stengels door elkaar groeien. Door de lengte van de bladeren kan de plant relatief grote vliegende insecten vasthouden.
Standplaats en ecologie
Open, zonnige plekken die in het regenseizoen nat zijn: seizoensmoerassen, rijstveldranden en natte laagten (W7), open savanne en bosland (B6) en verstoorde natte grond zoals greppels en bermen (H2). Als eenjarige overleeft hij de droge periode als zaad.
Verspreiding en hoogte
Tropisch en zuidelijk Afrika, Madagaskar en tropisch en subtropisch Azië. Tot omstreeks 2000 werd de soort ook voor Australië opgegeven, maar na de afsplitsing van de vele Australische soorten wordt hij daar volgens de huidige opvatting niet meer als inheems beschouwd. De gebiedsomschrijving 'Afrika tot Australië' weerspiegelt dus het oude, brede soortbegrip. Bloeitijden en hoogtegrenzen verschillen per streek en zijn niet eenduidig gepubliceerd; die velden blijven leeg.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
De soort is zeer variabel in grootte, kleur van blad en bloem en groeiwijze. Door de splitsing van het oude soortbegrip hebben veel oudere gegevens en afbeeldingen van 'D. indica' uit Australië betrekking op andere soorten, zoals D. finlaysoniana (door Barrett en Lowrie in 2013 weer als soort erkend) of D. hartmeyerorum. Ook binnen Afrika en Azië is de afbakening nog niet overal onderzocht, zodat verdere splitsing niet uitgesloten is.
Waar en wanneer te zien
Zoek in het regenseizoen in open, natte laagten, langs de randen van rijstvelden en in natte bermen. De plant valt minder op dan rozetvormige zonnedauwsoorten omdat hij tussen grassen en zeggen groeit; kijk tegen het licht in, dan verraden de druppels op de lange bladeren de plant. In Australië is het vrijwel altijd de moeite waard om te noteren om welke soort uit de groep het precies gaat, en bij twijfel een foto van bloem en zaaddoos te maken.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Het areaal is zeer groot en de plant profiteert van tijdelijk natte, verstoorde grond. Lokaal verdwijnt hij bij drooglegging, intensivering van de landbouw en het gebruik van herbiciden. Door de taxonomische splitsing verdienen vooral de afgesplitste Australische soorten, sommige met kleine arealen, aparte aandacht.
Wetenschappelijke naam
Drosera indica | Linnaeus, 1753
Beschreven door Carl Linnaeus in 1753, in "Species Plantarum", deel 1, p. 282. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald — Linnaeus vermeldde alleen "tropisch" zonder specifiekere plaats. Van het Latijnse indica ("van India") — de streek waarmee Linnaeus deze wijdverspreide, tropische Oude-Wereld-soort associeerde.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.