Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera arcturi

Drosera arcturi

Dit is een zonnedauw van sneeuw en veenmos; in het Engels heet hij 'alpine sundew'. Drosera arcturi groeit in de hooggebergten van Zuidoost-Australië, in Tasmanië en over bijna de hele lengte van Nieuw-Zeeland, en brengt de winter onder de sneeuw door als een stevige, hoornvormige winterknop. Hij behoort met slechts twee andere soorten tot een eigen, afwijkende groep binnen het geslacht.

Drosera arcturi
Foto: Krzysztof Ziarnek, Kenraiz — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera arcturi — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Denis Barthel — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera arcturi — de standplaats
De standplaats · Foto: MFdeS — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een losse rozet van rechtopstaande tot schuin uitstaande, lijn- tot riemvormige bladeren van 2 tot 8 cm lang en 3 tot 5 mm breed, zonder duidelijke scheiding tussen steel en schijf. De bladeren zijn bleekgroen in de schaduw en worden kastanjebruin in volle zon; de tentakels zijn opvallend rood. De plant heeft een ondergrondse wortelstok met vezelige wortels. In de zomer verschijnt meestal één witte bloem van ongeveer 13 mm doorsnee op een steel van zo'n 12 cm; laaglandvormen kunnen één tot vijf bloemen dragen op stelen tot 25 cm. De kroonbladen zijn 5 tot 11 mm lang. Na de bloei vormt de plant een hoornvormige overwinteringsknop.

Gelijkende soorten

In Nieuw-Zeeland is de enige echte verwisselaar Drosera stenopetala, die dezelfde habitat deelt: die heeft een duidelijke bladsteel met een smalle, spatelvormige schijf en witte bloemen met opvallend smalle, soms gespleten kroonbladen. In Tasmanië komt daarnaast Drosera murfetii voor, de derde soort uit dezelfde groep, met een eigen verspreiding. Andere zonnedauwsoorten in het alpiene gebied hebben ronde of halvemaanvormige bladschijfjes.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval langs het hele blad. De tentakels scheiden een kleverig slijm af waarin kleine vliegen, muggen en andere insecten van het berggrasland blijven hangen. Het blad kan langzaam om de prooi heen buigen. In het korte alpiene groeiseizoen is die extra bron van stikstof extra waardevol, omdat de natte veengrond vrijwel geen voedingsstoffen levert.

Standplaats en ecologie

Natte alpiene en subalpiene veenmosvenen (W1), natte heide, kruidenvelden en moerassige plekken (W4), vaak langs stroompjes en poeltjes en in sijpelzones, ook over rots (R1). De standplaatsen liggen 's winters onder de sneeuw. In Nieuw-Zeeland staat de soort op het Noordereiland pas boven circa 1500 m, maar zuidelijker en in delen van Tasmanië daalt hij af tot zeeniveau.

Verspreiding en hoogte

Zuidoost-Australië — de hooggebergten van New South Wales (onder meer het Kosciuszko National Park) en Victoria — en Tasmanië, en Nieuw-Zeeland, van de East Cape op het Noordereiland zuidwaarts tot Stewart Island. In Victoria is hij ongewoon en tot de hoogste berggebieden beperkt. De opgegeven hoogtespreiding is een ruwe benadering: van zeeniveau in het zuiden tot boven 1500 m op het Noordereiland van Nieuw-Zeeland en in het Australische hooggebergte.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 171 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen formele variëteiten onderscheiden, maar er is een duidelijke tegenstelling tussen de gewone alpiene vorm met één bloem op een korte steel en grotere laaglandvormen met tot vijf bloemen op stelen tot 25 cm. De soort vormt met D. stenopetala en D. murfetii het ondergeslacht Arcturia, een oude, zuidelijke tak van het geslacht die zich onder meer onderscheidt door de bouw van de bloem en de winterrust in een knop.

Waar en wanneer te zien

De beste tijd is de Australische en Nieuw-Zeelandse zomer, december en januari, als de sneeuw weg is en de planten bloeien. Zoek in open veenmosvenen en sijpelplekken boven de boomgrens, langs kleine beekjes en poelranden. De rode tentakels op de lange, rechtopstaande bladeren vallen op tussen het groene mos. Veel groeiplaatsen liggen in nationale parken met kwetsbare vegetatie: blijf op de paden en loopplanken, want veenmos en alpiene kruiden herstellen extreem traag van betreding.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. In Victoria is hij ongewoon; de flora van Zuidoost-New South Wales vermeldt dat hij in die staat als bedreigd te boek staat. De belangrijkste bedreigingen in Australië zijn klimaatverandering, die het alpiene gebied verkleint en de sneeuwbedekking verkort, en betreding en vertrapping door vee en verwilderde paarden in hoogvenen. In Nieuw-Zeeland is de soort wijdverbreid en niet bedreigd.

Wetenschappelijke naam

Drosera arcturi | W.J. Hooker, 1834

Beschreven door William Jackson Hooker in 1834, in Journal of Botany (Hooker's Botanical Miscellany, tweede reeks), deel 1, p. 247. Berg Arthur (Mount Arthur), noordoostelijk Tasmanië — expliciet vermeld als typelocatie. Geen hoogte, verzamelaar of datum bekend. Van het Latijnse genitief "arcturi" ("van Arthur") — verwijst rechtstreeks naar de berg Arthur in Tasmanië, de typelocatie; het is dus een plaatsnaam, geen opdracht aan een persoon genaamd Arthur.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.