Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera glanduligera

Drosera glanduligera

Pimpernel sundew

Een zonnedauw van twee tot zes centimeter die de snelste beweging van het hele geslacht maakt: langs de rand van zijn blaadje staan tentakels die een langslopend insect in vijfenzeventig duizendste van een seconde het blad op katapulteren. Hij is bovendien eenjarig — hij kiemt na de eerste regens, leeft een maand of vier en verdwijnt weer — en dat maakt hem onder de zonnedauwen dubbel een buitenbeentje. Zijn oranje bloem is in Australië uniek.

Drosera glanduligera
Foto: Rolf Lawrenz — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera glanduligera — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Peterbest1954 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera glanduligera — de bloem
De bloem · Foto: Kym Nicolson — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera glanduligera — de standplaats
De standplaats · Foto: JarrahTree — CC BY 2.5 AU · Wikimedia Commons

Herkenning

Een eenjarige plant met vezelige wortels, 2,5 tot 6 cm hoog, die een platte rozet vormt van kleine, lepelvormige blaadjes. Elke bladschijf is aan de bovenzijde iets hol, als een ondiepe kom. Op die kom staan twee soorten tentakels, en dat is het kenmerk: in het midden de gewone gesteelde klierharen met een kleefdruppel, en langs de rand twaalf tot achttien rechte, stijve tentakels van ongeveer zes millimeter die géén druppel dragen. De bloemen staan op een dunne stengel boven de rozet en zijn oranje — geen enkele andere Australische zonnedauw heeft die kleur. De bloeitijd loopt van augustus tot november; daarna zaait de plant af en sterft.

Gelijkende soorten

De oranje bloem beslist het: alle andere zonnedauwen in zijn gebied bloeien wit of roze. Kijk daarnaast naar de rand van het blad, waar de rechte, druppelloze katapulttentakels als een krans van korte stekels uitsteken; dat heeft geen andere soort. De kleine rozetsoorten waarmee hij de grond deelt, overleven de zomer als knol of als winterknop, waar deze plant alleen als zaad overblijft — buiten het groeiseizoen is er dus letterlijk niets te zien. En hoewel hij op een lijmval lijkt, doet hij in snelheid eerder denken aan de venusvliegenval (Dionaea muscipula): die klapt in ongeveer een tiende seconde dicht, deze slaat een tentakel om in vijfenzeventig duizendste — met dit verschil dat de val van de venusvliegenval weer opengaat en deze tentakel maar één keer werkt.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval met een katapult ervoor. Een prooi die langs de rand van het blad loopt, raakt de kop van een van de randtentakels. Na een aanloop van ongeveer vier tienden van een seconde slaat die tentakel naar binnen — de snelste beweging die bij een zonnedauw is gemeten, in de snelste gevallen vijfenzeventig duizendste van een seconde — en slingert het dier op de kleeftentakels midden op het blad. Daar zit het vast. In de twee minuten daarna buigen de kleeftentakels naar binnen en trekken ze de prooi dieper de holle bladkom in, waar de vertering begint. De katapultbeweging is eenmalig: bij het omslaan scheuren de cellen in de scharnierzone van de tentakel, en hij komt niet terug. Dat de plant zich dat kan veroorloven, komt doordat hij om de drie à vier dagen een nieuw blad maakt. De rest van deze reeks beweegt in minuten tot uren; deze soort doet het duizend keer sneller en betaalt er een tentakel voor.

Standplaats en ecologie

Open, zonnige grond die in de winter vochtig is en in de zomer volledig uitdroogt: kale plekken tussen laag struweel, open bos en bosrand, wegbermen en verstoorde grond. Hij is bepaald niet kieskeurig in bodemtype en groeit op zowat alles, van zand tot leem, zolang het licht maar op de bodem valt. De hele levensloop hangt aan de regen: het zaad kiemt als de winterregens komen, de plant groeit door in het koele seizoen en is verdwenen voordat de zomer op zijn heetst is.

Verspreiding en hoogte

Alleen in Australië, en daar over het zuidelijke deel van het continent: het zuidwesten van West-Australië, Zuid-Australië, Victoria, New South Wales en Tasmanië. Daarbuiten komt hij van nature nergens voor en er zijn geen ingeburgerde populaties elders. Binnen dat gebied kan hij in een goed regenjaar plaatselijk met duizenden tegelijk staan en het jaar daarop op dezelfde plek nagenoeg ontbreken.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 289 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Weinig variatie, en dat past bij zijn levenswijze: een plant die maar vier maanden leeft en zich uitsluitend met zaad in stand houdt, krijgt weinig gelegenheid tot vaste, plaatsgebonden vormen. Er worden geen variëteiten of kleurvormen erkend. Wat verschilt is de grootte van de rozet en de intensiteit van de rode kleuring, en beide hangen vooral af van hoeveel regen er in dat seizoen viel en hoeveel zon de plek krijgt; binnen één veld staan grote en kleine planten door elkaar.

Waar en wanneer te zien

Alleen te vinden in het koele, natte seizoen: van augustus tot november, en geen dag daarbuiten. Zoek op open, kale grond in de zon — bermen, paden, plekken waar het struweel niet aaneensluit — en ga op je knieën, want een plant van drie centimeter zie je staande niet. De oranje bloem is de vinder: die zie je eerder dan de rozet. Wie de katapult wil zien werken, moet geduld hebben en kijken zonder aan te raken; elke tentakel die je met een grasje afvuurt, is voor die plant een tentakel minder.

Staat van instandhouding

Niet in gevaar op de wereldlijst, en dat is bij deze soort goed te volgen: hij komt over het hele zuiden van Australië voor, is niet kieskeurig in bodem en staat plaatselijk met grote aantallen bij elkaar. Wel schommelen die aantallen sterk van jaar tot jaar, zoals bij eenjarigen gebruikelijk is — een droog seizoen kan een populatie in één klap tot een zaadvoorraad in de grond terugbrengen, en dat maakt tellingen lastig te duiden. De echte bedreiging is het verdwijnen van open, seizoensvochtige grond door omzetting in landbouw en door verstedelijking. Verzamelen speelt geen rol: van een eenjarige plant valt niets mee te nemen dan zaad.

Wetenschappelijke naam

Drosera glanduligera | Lehmann, 1844

Beschreven door Johann Georg Christian Lehmann in april 1844, in "Novarum et Minus Cognitarum Stirpium Pugillus", deel 8, p. 37, Hamburg. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. Van het Latijnse glandula ("kliertje") en -ger/-gera ("dragend") — "klierdragend", passend bij de klierhoudende vangtentakels van deze soort, ook bekend als de "snap sundew" vanwege haar snelle vangbeweging.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.