Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera dielsiana

Drosera dielsiana

Een kleine rozetzonnedauw van de natte graslanden in het oosten van zuidelijk Afrika, in 1956 door Exell en Laundon beschreven en vernoemd naar Ludwig Diels, de Duitse botanicus die de eerste wereldmonografie van de familie schreef. Drosera dielsiana is een van de soorten die in de zomerregengebieden de plaats innemen van de Kaapse winterbloeiers.

Drosera dielsiana
Foto: incidencematrix — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera dielsiana — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: incidencematrix — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera dielsiana — de bloem
De bloem · Foto: Michal Rubeš — CC BY 3.0 cz · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, vlakke rozet van spatelvormige bladeren met een korte, in de schijf overgaande bladsteel en rode tentakels. De bloeistengel komt uit het hart van de rozet en draagt enkele roze bloemen. Gepubliceerde maten uit een flora waren voor deze tekst niet beschikbaar; de maatvelden blijven leeg.

Gelijkende soorten

Drosera collinsiae en D. natalensis lijken sterk en worden op details van blad, steunblaadjes en beharing onderscheiden; in het veld is dat zonder loep lastig. Drosera burkeana heeft kortere, bredere, meer ronde bladschijven, en D. madagascariensis vormt een stengel met verspreide bladeren.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval: kleverige druppels op gesteelde klieren houden kleine insecten vast, waarna de tentakels naar de prooi buigen en de klieren verteringsenzymen afscheiden.

Standplaats en ecologie

Natte, open plekken in graslanden en savanne: sijpelzones, moerasranden en seizoensgebonden natte laagten, vaak op zure, voedselarme grond (W4, W7, B6). De plant groeit en bloeit in de natte zomer.

Verspreiding en hoogte

Zuidelijk Afrika: het oosten van Zuid-Afrika en aangrenzende landen, noordwaarts tot in Mozambique en Zimbabwe. Precieze hoogtegrenzen zijn niet gevonden.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 16 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten onderscheiden. De soort behoort tot een groep kleine rozetzonnedauwen van het zomerregengebied waarvan de onderlinge grenzen niet altijd scherp zijn.

Waar en wanneer te zien

Zoek in de natte zomermaanden in drassige graslanden en langs sijpelzones op berghellingen. De rozetten zijn klein; kijk op open, natte plekken tussen het gras.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als Least Concern (niet bedreigd) beoordeeld; niet in CITES. Het areaal is groot. Plaatselijk verdwijnen natte graslanden door bosbouw, landbouw en drooglegging.

Wetenschappelijke naam

Drosera dielsiana | Exell & Laundon, 1956

Beschreven door Arthur Wallis Exell & Jack Rodney Laundon in 1956, in Boletim da Sociedade Broteriana, serie 2, deel 30, p. 214. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort komt voor in Zuid-Afrika (KwaZoeloe-Natal, Vrijstaat, noordelijke provincies), Eswatini, Mozambique, Malawi en Zimbabwe. Vernoemd naar Ludwig Diels, auteur van de invloedrijke monografie over de Droseraceae uit 1906.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.