Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera chrysolepis
Drosera chrysolepis
De gouden schubben in de naam zijn letterlijk te nemen. Drosera chrysolepis, beschreven door de Duitse botanicus Taubert, draagt aan de voet van elk blad opvallende, goudbruine steunblaadjes die bij oudere planten een glanzende mantel rond de stengel vormen. Het is een van de forsere zonnedauwen van de Braziliaanse bergen: een soort die met de jaren omhoog groeit op een zuil van oude bladeren.


Herkenning
Een meerjarige rozet op een rechtopstaand stammetje dat met de jaren langer wordt en bedekt raakt met afgestorven bladeren en de karakteristieke goudbruine, driehoekige steunblaadjes. De bladeren zijn half opgericht, met een smalle bladsteel en een lancetvormige tot langwerpige bladschijf die dicht met rode tentakels bezet is. De bloeistengel is lang en draagt roze bloemen. Uit de beschrijving van D. quartzicola blijkt dat D. chrysolepis van die zustersoort verschilt door de stengelvorming, een bladsteel die duidelijk smaller is dan de bladschijf, en langere bloeistengels. Exacte maten zijn hier niet overgenomen.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Drosera quartzicola, die alleen in een klein gebied in Minas Gerais groeit en stengelloos blijft of hooguit korte zuiltjes vormt, met een bladsteel die ongeveer even breed is als de bladschijf. Andere stengelvormende soorten in het gebied, zoals Drosera camporupestris en Drosera graomogolensis, missen de opvallend goudkleurige steunblaadjes. Kijk bij twijfel altijd naar de stipulen aan de voet van de bladeren.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De tentakels op de bladschijf vangen kleine insecten in hun slijmdruppels en buigen daarna naar de prooi toe; doordat de rozet op een stammetje boven de vegetatie uitsteekt, vangen de bladeren zowel kruipende als vliegende prooi. Verteerde resten blijven vaak zichtbaar op oudere bladeren.
Standplaats en ecologie
Open, zonnige campos rupestres op kwartsiet in de bergen van centraal-oostelijk Brazilië: natte zandige grond en sijpelplekken langs rotsplaten, maar ook iets drogere, grindrijke zandgrond waar het grondwater in het natte seizoen hoog staat (R1, D2, W4). De stengelvorming helpt de plant boven concurrerende grassen uit te groeien en na branden opnieuw uit te lopen.
Verspreiding en hoogte
Brazilië, met het zwaartepunt in de Espinhaço-keten in Minas Gerais; in tegenstelling tot haar zustersoort D. quartzicola staat zij in de synopsis van 2022 niet bij de soorten die tot Minas Gerais beperkt zijn, zodat ze ook in aangrenzende deelstaten voorkomt. De precieze begrenzing van het areaal kon hier niet worden nagegaan. Een gepubliceerd hoogtebereik is niet overgenomen.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten erkend. De soort is nauw verwant aan D. quartzicola, die pas in 2011 werd beschreven van planten die eerder als afwijkende vorm van D. chrysolepis hadden kunnen gelden. Oudere vermeldingen uit het gebied van D. quartzicola moeten daarom met voorzichtigheid worden gelezen.
Waar en wanneer te zien
Bekijk in de natte tijd de zandige, kwartsietrijke hellingen van de Espinhaço-keten, vooral waar water over de rotsplaten sijpelt. De goudbruine steunblaadjes glanzen in het strijklicht van de ochtend en maken de plant ook zonder bloem herkenbaar. Blijf op de paden: campos rupestres herstellen traag.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet opgenomen in CITES. Het areaal is groter dan dat van veel verwanten, en een deel ligt in beschermde gebieden. Branden, invasieve grassen, mijnbouw en klimaatverandering bedreigen de campos rupestres in het algemeen; voor de zustersoort D. quartzicola worden precies deze factoren als hoofdbedreiging genoemd.
Wetenschappelijke naam
Drosera chrysolepis | Taubert, 1893
Beschreven door Paul Hermann Wilhelm Taubert in 1893, in Botanische Jahrbücher für Systematik, deel 17, p. 505. Een lectotype werd pas in 1997 aangewezen (Silva & Giulietti), gebaseerd op materiaal van Glaziou (nr. 18857) uit de Serra do Cipó, Minas Gerais, Brazilië, 1891/92, bewaard in Kew (K), met isolectotypen in B en P. Serra do Cipó, Minas Gerais, Brazilië (lectotype-locatie, aangewezen in 1997; de oorspronkelijke typelocatie van Taubert zelf is niet apart bevestigd). Van het Griekse chrysos ("goud") en lepis ("schub") — verwijst vermoedelijk naar de goudbruine stipels van de plant.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.