Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera bulbigena

Drosera bulbigena

In het Engels heet hij de 'midget sundew', en met 3 tot 6 cm hoogte is Drosera bulbigena inderdaad een van de kleinste rechtopstaande knolzonnedauwen. Alexander Morrison beschreef hem in 1903. De naam betekent 'knollen voortbrengend': de plant vormt aan uitlopers nieuwe knolletjes en groeit zo uit tot kleine kolonies aan de randen van de moerassen van de kustvlakte bij Perth.

Drosera bulbigena
Foto: Thilo Krueger — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een meerjarige knolplant met een rechtopstaande, kale stengel van 3 tot 6 cm, die bij elke bladknoop van richting verandert en daardoor zachtjes zigzagt. Het opvallendste kenmerk zit in de bladstand: de bladstelen buigen bij de aanhechting van de bladschijf naar beneden, zodat de halvemaanvormige, aan de bovenrand ingekeepte bladschijfjes naar de grond wijzen. Dat is uniek onder zijn naaste verwanten. De bloemen zijn wit; de kelkbladen zijn kaal en hebben gefranjerde randen. De bloei valt van augustus tot oktober.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Drosera radicans, die ten noorden van Geraldton voorkomt, ongeveer twee keer zo groot wordt en geen naar beneden gerichte bladeren heeft. Van de vele andere kleine knolzonnedauwen op de kustvlakte, zoals vormen uit de verwantschap van Drosera stolonifera of Drosera pallida, is hij te onderscheiden aan de combinatie van zijn geringe hoogte, de zigzaggende stengel en de omlaag gekeerde bladschijfjes.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De halvemaanvormige bladschijfjes dragen langs de rand gesteelde klieren met kleverige druppels. Doordat ze naar beneden wijzen, vangen ze vooral diertjes die tussen het mos en over de grond bewegen. Na vangst buigen de tentakels zich om de prooi en worden verteringsenzymen afgescheiden.

Standplaats en ecologie

Zandige en kleiige grond in laaggelegen, in de winter natte terreinen en moerassen (FloraBase), vaak in seizoensvochtig mos aan moerasranden (W4, W7). Met de eerste winterregens loopt de plant uit; aan het eind van de lente sterft het bovengrondse deel af en rust de plant als knol in de uitgedroogde grond.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in het zuidwesten van West-Australië, op de Swan Coastal Plain: in de omgeving van Perth en langs de kust naar het zuiden, ruwweg tot de streek van Busselton. De kustvlakte rond Perth is een van de sterkst verstedelijkte delen van het zuidwesten.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 6 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. De soort vermeerdert zich naast zaad vegetatief via knolletjes aan ondergrondse uitlopers, waardoor planten op één plek vaak genetisch identiek zijn en in dichte groepjes staan.

Waar en wanneer te zien

September is een goede maand: de planten staan in bloei en de moerasranden zijn dan nog nat. Zoek op de overgang van natte naar drogere grond, in mos tussen biezen en lage struiken. De plantjes zijn zo klein dat ze makkelijk vertrapt worden; kijk voordat je een stap zet en blijf op paden in reservaten.

Staat van instandhouding

De IUCN-code in deze gids is kwetsbaar (VU); in West-Australië staat de soort als Priority Two te boek, voor soorten die van weinig plaatsen bekend zijn. Niet in CITES. De belangrijkste bedreigingen zijn de verstedelijking van de kustvlakte, ontwatering en daling van het grondwater, onkruiden en te frequente branden in de kleine overgebleven natuurgebieden.

Wetenschappelijke naam

Drosera bulbigena | Morren, 1903

Beschreven door Alexander Morrison in 1903, in Transactions and Proceedings of the Botanical Society of Edinburgh, deel 22, nr. 4, p. 417-418. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort komt voor rond Perth en zuidwaarts langs de kust, West-Australië. Van het Latijnse bulbus ("bol, knol") en -gena ("voortgebracht uit") — "knolvormend", passend bij de knolvormige groeiwijze van de plant.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.