Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera albonotata
Drosera albonotata
Een van de jongste namen in deze gids: Drosera albonotata werd pas in 2018 beschreven, als afsplitsing uit de groep oranjebloeiende dwergzonnedauwen rond Drosera miniata. De naam betekent 'wit getekend' en slaat op het meest opvallende kenmerk van de bloem: een helderwitte kraag in het hart van een verder vurig oranje bloem. Het is een plantje van nauwelijks anderhalve centimeter breed dat een bloem draagt die bijna twee keer zo breed is als de rozet zelf.


Herkenning
Een dwergzonnedauw met een kleine, dichte rozet van gewoonlijk ongeveer 15 mm in doorsnede; het grootst gemeten exemplaar haalde 22 mm. Oudere planten kunnen een kort stammetje vormen uit de resten van vorige seizoenen, zodat de rozet iets boven de grond komt te staan. De bloeiwijze wordt tot 14 cm hoog en draagt één tot vijftien bloemen. Die zijn met zo'n 25 mm doorsnede opvallend groot voor een dwergzonnedauw, oranje van kleur, met rond het hart een witte 'kraag' en witte vlekken aan de voet van elk kroonblad. Zoals bij alle dwergzonnedauwen zit in het hart van de rozet een kegeltje van zilverachtige steunblaadjes. Nauwkeurige bladmaten waren in de voor deze gids bereikbare bronnen niet te vinden; daarom blijft het veld voor de valgrootte leeg.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Drosera miniata, eveneens oranjebloeiend en uit hetzelfde deel van West-Australië; tot 2018 werden planten van D. albonotata daartoe gerekend. De beschrijvers onderscheiden de twee op de nervatuur van de kroonbladen, de vorm van kroon- en kelkbladen, de kleur van de helmknoppen, de bladvorm en de hoeveelheid en dichtheid van bepaalde klieren en haren op het blad. In het veld is de witte tekening in het bloemhart het handigste houvast. Ook Drosera barbigera en Drosera callistos hebben oranje bloemen; bij twijfel is een loep op het blad en de bloem onmisbaar.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval op miniatuurschaal. De bladeren dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel; een klein insect dat erop landt, blijft plakken, waarna de tentakels zich langzaam naar de prooi toebuigen en verteringsenzymen afscheiden. Bij een rozet van anderhalve centimeter gaat het om de kleinste prooien: springstaarten, mijten, kleine muggen en mieren. Dwergzonnedauwen hebben daarnaast vaak langere randtentakels die sneller reageren en een prooi naar het midden van het blad kunnen trekken.
Standplaats en ecologie
Over de standplaats is in de toegankelijke bronnen weinig vastgelegd, behalve dat de soort in de westelijke Wheatbelt van West-Australië voorkomt. Verwante oranjebloeiende dwergzonnedauwen groeien daar in open, voedselarme heide en struweel (kwongan) op zand of grind, waar de grond in de winter vochtig is en in de zomer uitdroogt; de code B5 is daarom een voorzichtige toewijzing die nog bevestigd moet worden. Zoals andere dwergzonnedauwen overleeft de plant de droge zomer als een rustende knop van steunblaadjes.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in het zuidwesten van West-Australië, voor zover bekend beperkt tot de westelijke Wheatbelt. Het is een gebied dat grotendeels in landbouwgrond is omgezet, zodat de natuurlijke vegetatie er vaak alleen nog in reservaten en bermstroken overleeft. Een nauwkeuriger verspreidingsbeeld kon voor deze gids niet worden opgesteld.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of ondersoorten beschreven. De soort maakt zelf deel uit van een complex van oranjebloeiende dwergzonnedauwen waarvan de indeling in de laatste jaren herhaaldelijk is bijgesteld; verdere splitsingen of samenvoegingen zijn niet uitgesloten. Zoals alle dwergzonnedauwen vermeerdert D. albonotata zich behalve via zaad ook met broedknopjes (gemmae) die aan het eind van de herfst in het hart van de rozet worden gevormd.
Waar en wanneer te zien
Zoek in september en oktober, als de oranje bloemen open staan; buiten de bloei is de rozet tussen het strooisel nauwelijks te vinden. De bloemen gaan alleen bij zon open, dus kies een heldere dag rond het middaguur. Kijk goed naar het bloemhart: de witte kraag is het kenmerk dat deze soort van D. miniata scheidt. Blijf op paden in reservaatjes en bermen; het zijn vaak de laatste restjes natuurlijke begroeiing in een landbouwlandschap.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst (NE) en niet opgenomen in CITES. Omdat de soort pas in 2018 is beschreven, ontbreekt ook nog een eigen beoordeling in de West-Australische lijst van prioriteitssoorten voor zover na te gaan. De bronbasis is voor deze gids dun: de oorspronkelijke beschrijving (Robinson, Cross, Meisterl & Fleischmann 2018) is de enige goede bron, en het FloraBase-profiel was tijdens het schrijven niet bereikbaar. Gegevens over standplaats en verspreiding moeten daarom als voorlopig worden gelezen.
Wetenschappelijke naam
Drosera albonotata | Robinson, Cross, Meisterl & Fleischmann, 2018
Beschreven door A.S. Robinson, A.T. Cross, M. Meisterl & A. Fleischmann, in Phytotaxa, deel 346, nr. 3, p. 221-236 (specifiek p. 223), gepubliceerd 6 april 2018. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. De soort komt voor in het westelijke Wheatbelt-gebied van West-Australië. Van het Latijnse albus ("wit") en notatus ("gemarkeerd") — "wit gevlekt", verwijzend naar de witte vlekken aan de basis van de kroonbladen, waarmee deze soort zich onderscheidt van de verwante, oranjebloemige dwergzonnedauw D. miniata.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.