Alle soorten › Lipbloemigen › Byblidaceae › Byblis rorida

Byblis rorida

De soortnaam betekent 'bedauwd', en dat is precies wat er te zien valt: de jonge, nog niet uitgegroeide toppen van Byblis rorida zijn zo dicht bezet met zittende kliertjes dat ze eruitzien alsof er dauw op ligt, ook midden op de dag. Het is de minst gevonden van de noordelijke soorten; wie de Kimberley afreist voor vleesetende planten, komt vaak terug met honderden filifolia en één enkele rorida, als hij al geluk heeft. Of het ook echt een aparte soort is, is een open vraag — maar wie met een loep naar de kelkbladen kijkt, ziet meteen waarom ze ooit is afgesplitst.

Byblis rorida
Foto: (c) Hugo Innes, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Byblis rorida — de standplaats
De standplaats · Foto: (c) Hugo Innes, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Byblis rorida — de bloem
De bloem · Foto: (c) Hugo Innes, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Byblis rorida — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: (c) Hugo Innes, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een eenjarig kruid van 6 tot 30 cm hoog, in het begin rechtopstaand en met de tijd overhellend. De bladeren zijn draadvormig en 2 tot 5 cm lang, en dragen twee soorten vangklieren door elkaar: lange gesteelde met een kleefdruppel en daartussen zittende klieren. Het kenmerkende zit in de jonge delen: de nog groeiende top en de bloemstelen zijn zó dicht met die zittende klieren bezet dat ze grijzig en bedauwd lijken. De kelkbladen zijn 3,5 tot 4,5 mm lang en dragen lange borstels met een klierkop van 0,7 tot 1,5 mm — bij B. filifolia zijn die borstels slechts 0,3 tot 0,5 mm, en dat verschil is met een loep meteen te zien. De kroonbladen meten 6,5 tot 10 mm, zijn van boven mauve en van onderen wit. Opvallend is dat de vijf helmknoppen niet gelijk zijn: drie meten 2,5 tot 3 mm en twee blijven met 1,5 tot 2,5 mm korter; alle vijf zijn ze langer dan de helmdraden van 1 tot 1,5 mm. De bloei valt van januari tot mei.

Gelijkende soorten

De vergelijking die telt is die met Byblis filifolia, die in hetzelfde gebied staat en dezelfde verhouding tussen helmknop en helmdraad heeft. Het onderscheid ligt in de klierborstels op de kelk (0,7–1,5 mm hier tegen 0,3–0,5 mm daar) en in de dicht bedauwde jonge toppen en bloemstelen. Daarnaast wordt B. filifolia veel groter, tot 60 cm, en verhout hij van onderen. Byblis liniflora is kleiner en heeft helmknoppen die juist kórter zijn dan de helmdraden. Byblis guehoi van het Dampierschiereiland lijkt eveneens sterk op filifolia en is in het veld niet betrouwbaar van deze soort te scheiden zonder naar kelkborstels en zaad te kijken. Met een Drosera is verwarring uitgesloten zodra je van dichtbij kijkt.

De val en hoe hij werkt

Een passieve lijmval waarin beide kliertypen extra opvallen. De lange gesteelde klieren op de bladeren dragen elk een heldere druppel en houden vast wat ze raken; er is geen beweging en geen prikkelverwerking. De veel kleinere zittende klieren doen het verteren: zij scheiden enzymen af zodra er een prooi op ligt en nemen daarna de vrijgekomen stikstof en fosfor op. Bij deze soort zijn die zittende klieren zo talrijk op de jonge delen dat ze het uiterlijk van de plant bepalen. De lange klierborstels op de kelkbladen vangen zelf ook insecten; bij verschillende vleesetende planten wordt zulke beklieving van de bloemsteel en kelk uitgelegd als bescherming van de bloem tegen kruipende dieren die nectar of stuifmeel zouden stelen zonder te bestuiven.

Standplaats en ecologie

Breed, voor een soort die zo weinig gevonden wordt. Uit de literatuur komen drie typen groeiplaats: fijn, lichtgekleurd zand op vlakke terreinen, nat lemig zand in laagten die in de moesson doorstroomd raken, en dunne, skeletachtige bodems over uitstekende zandsteenbanken waar in de natte tijd water overheen sijpelt. Gemeenschappelijk is de combinatie van vol licht, een arme bodem en water dat seizoensgebonden komt en gaat. In de vaste codes: droge zandgrond (D1) die tijdelijk als kwelmoeras werkt (W3), en daarnaast natte rotsbodem met sijpelwater op de zandsteenplaten (R1).

Verspreiding en hoogte

Verspreid over de Kimberley in West-Australië, van de streek rond Broome en Dampierland noordoostwaarts tot aan de Durack-rivier, een strook van ruwweg 450 kilometer. Binnen die strook is de soort echter nergens algemeen: het gaat om losse, ver uit elkaar liggende vindplaatsen. Daarmee is ze endemisch voor Australië en zelfs voor één deelstaat. Het is een laaglandplant; een betrouwbaar gedocumenteerde hoogtegrens is er niet, zodat het hoogteveld leeg blijft.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 36 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Wilde vormvariatie is nauwelijks vastgelegd, vooral omdat er zo weinig materiaal is. Het interessante debat gaat een stap verder: veldwerkers die alle noordelijke populaties hebben bekeken, houden het voor mogelijk dat B. rorida niets meer is dan een vorm binnen een sterk variabele B. filifolia, samen met B. guehoi en mogelijk B. pilbarana. Tegelijk zijn de kenmerken waarop de soort in 1998 werd beschreven — de lengte van de klierborstels op de kelk en de dicht bedauwde jonge groei — scherp en herhaalbaar. Zolang er geen brede genetische studie ligt, blijft de vraag open. Erkende variëteiten en natuurlijke hybriden zijn er niet.

Waar en wanneer te zien

Februari tot mei, in of vlak na de natte tijd, is het enige zinvolle venster, want de bloeitijd valt dan en veel vindplaatsen liggen dan juist het lastigst bereikbaar — dat is meteen de reden dat de soort zo weinig wordt gezien. Zoek niet alleen op open zandvlakten maar ook langs natte zandsteenbanken. Fotografeer bij elke vondst de kelkbladen van dichtbij met een maatstaf erbij: zonder die opname is een melding van deze soort in de Kimberley niet te toetsen. Reken erop dat de meeste glanzende Byblis-planten die je ziet B. filifolia zijn.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst voert de soort als niet in gevaar (Least Concern). Dat oordeel steunt op de lengte van de strook waarbinnen ze voorkomt en op het feit dat de standplaatsen — open zand en zandsteen in dunbevolkt gebied — nauwelijks onder druk staan. Voorzichtigheid is toch op haar plaats, want de soort wordt zelden en in kleine aantallen gevonden, en over de omvang van de populaties is bijna niets bekend. Verandering van het brandregime en verdichting van de savanne zijn ook hier de voornaamste lokale factoren.

Wetenschappelijke naam

Byblis rorida | Lowrie & Conran, 1998

Beschreven door Allen Lowrie en John G. Conran in 1998, in dezelfde herziening ("A taxonomic revision of the genus Byblis (Byblidaceae) in northern Australia", Nuytsia 12(1): 59–74) waarin ook B. aquatica werd beschreven. De soort komt voor in het noorden van Australië; een nauwkeurige typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. De soortnaam rorida is Latijn voor "bedauwd" of "met dauw bedekt" — een verwijzing naar de dicht opeengepakte klierharen die de plant een glinsterende, bedauwde aanblik geven, vergelijkbaar met de naamgeving van het verwante geslacht Roridula.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.