Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Waterspitsmuis
Waterspitsmuis | Neomys fodiens
Water shrew | Musgaño Patiblanco
De waterspitsmuis is de grootste spitsmuis van Noordwest-Europa en jaagt onder water. Hij duikt naar waterpissebedden, vlokreeftjes, kokerjufferlarven en slakjes, en verlamt grotere prooi met giftig speeksel. Het dier zelf wordt zelden gezien; langs schone oevers laat het keutels en vraatplaatsen met lege slakkenhuisjes achter, en de soort wordt in de praktijk vooral via die sporen en via braakballen vastgesteld.
Sporen
De sporen zijn klein maar kenmerkend. De keutels zijn 3 tot 10 mm lang, donkerbruin tot zwart, en bevatten glanzende chitinedeeltjes van waterinsecten en kreeftjes; ze liggen op stenen en boomwortels aan de waterkant en onder overhangende oevers. Op vaste vraatplaatsen vlak boven de waterlijn liggen lege slakkenhuisjes, geopende kokers van kokerjufferlarven en resten van waterpissebedden; bij visjes worden soms alleen de ogen en de kop aangevreten. De prenten van voor- en achtervoet meten tot ongeveer 14 mm en zijn alleen in fijn slib te vinden. Bij inventarisaties worden lokbuizen gebruikt: korte buizen met aas die langs de oever worden gelegd en na enkele dagen op keutels worden gecontroleerd; in Groot-Brittannië is dat de methode van het landelijke waterspitsmuisonderzoek. De keutels zijn op het oog niet sluitend te scheiden van die van de andere Neomys-soorten en van de Pyrenese desman; waar deze soorten samen voorkomen, zoals in Noord-Spanje, is DNA-onderzoek nodig. In braakballen van kerkuil en ransuil zijn de onderkaken met roodbruine tandpunten te herkennen, en aan hun grootte en de hoogte van de opstijgende kaaktak van die van de kleinere Neomys-soorten te onderscheiden; bij de Cabrera-waterspitsmuis blijft die hoogte meestal onder 4,8 mm.
Herkenning
Een grote, gedrongen spitsmuis met een zwarte tot zwartbruine rug en een scherp afgegrensde witte, grijze of gelige buik; de grens tussen beide loopt recht over de flank. Er komen ook dieren met een donkere of gevlekte buik voor, zodat de kleur alleen niet beslist. De beslissende kenmerken zitten aan voeten en staart: randen van stijve witte haren langs de achtervoeten en de tenen, die het zwemoppervlak van de voet vergroten, en een kiel van stijve, zilverwitte haren over de hele lengte van de staartonderzijde, die bij het zwemmen de koers stabiliseert. De staart is tweekleurig en haalt ongeveer twee derde van de kop-romplengte of meer. De oren zijn klein, gaan bijna schuil in de vacht en worden onder water met huidflapjes afgesloten; vaak staat er een klein wit vlekje bij oog of oor. De tandpunten zijn roodbruin, zoals bij alle roodtandspitsmuizen. Onder water ziet het dier er zilverig uit door de luchtlaag die tussen de haren blijft hangen. Kop-romplengte 7 tot 10,5 cm, staart 4,5 tot 7,7 cm, gewicht 9 tot 25 gram.
Gelijkende soorten
De lastigste verwisselingen zijn de Millers waterspitsmuis (Neomys milleri), in een groot deel van Europa, en op het Iberisch Schiereiland de Cabrera-waterspitsmuis (Neomys anomalus). Beide zijn kleiner, hebben kortere haarranden langs de voeten en een staartkiel die zwak ontwikkeld is of alleen het achterste deel van de staart beslaat. De scheiding berust in de hand op maten: bij de waterspitsmuis is de achtervoet 16 tot 21 mm, bij de Cabrera-waterspitsmuis is de voet kleiner, en bij de Millers waterspitsmuis is de achtervoet korter dan 16,5 mm en de staart korter dan 55 mm. Omdat de kiel door slijtage kan verdwijnen en de vachtkleur bij alle drie varieert, is een dier dat alleen in het water of in de vegetatie wordt gezien, waar de soorten samen voorkomen, niet met zekerheid op soort te brengen. Op de Britse Eilanden en in Nederland is alleen de waterspitsmuis bekend, zodat daar elke zwemmende en duikende spitsmuis deze soort is; in Midden- en Zuid-Spanje, buiten het verspreidingsgebied van de waterspitsmuis, is elke Neomys een Cabrera-waterspitsmuis. De gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) is kleiner, driekleurig en heeft geen zwemharen; de witgetande spitsmuizen van het geslacht Crocidura hebben witte tanden, uitstekende oren en losse lange haren op de staart. De Pyrenese desman is veel groter en heeft een beweeglijke snuit. Een zwemmend knaagdier als de woelrat of de bruine rat is veel groter, heeft een stompe snuit en zwemt hoog in het water, terwijl een waterspitsmuis laag in het water ligt en telkens met een schok onderduikt.
Leefgebied
De waterspitsmuis leeft bij schoon, langzaam stromend tot stilstaand water met een ruige, begroeide oever: beken, rivieren met rustige zijwateren, sloten, vennen, meren, duinmeren, kwelgebieden, waterkerskwekerijen, riet- en zeggemoeras en natte graslanden. Kenmerkend zijn een bodem van zand of stenen, onderspoelde oevers met blootliggende wortels en een rijk leven aan waterpissebedden, vlokreeftjes en insectenlarven. In het gebergte leeft de soort langs koude, snelstromende bergbeken. Buiten de voortplantingstijd worden dieren ook op enige afstand van het water gevangen, in vochtig bos, ruigte en verwaarloosde tuinen. Dichte naaldbossen en sterk bemeste, kaal gemaaide oevers worden gemeden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De waterspitsmuis komt voor van Groot-Brittannië en het noorden van het Iberisch Schiereiland door vrijwel heel Europa en Siberië tot aan de Stille Oceaan, en in het noorden tot voorbij de poolcirkel in Scandinavië. De soort ontbreekt in Ierland, op het eiland Man, op IJsland en op de meeste eilanden in de Middellandse Zee. Op het Iberisch Schiereiland leeft zij alleen in het noorden, vooral in het Cantabrisch Gebergte, de Pyreneeën en hun uitlopers, als ondersoort N. f. niethammeri, waarvan de taxonomische rang ter discussie staat en die mogelijk een eigen soort is; daar deelt zij de rivieren met de Cabrera-waterspitsmuis en de Pyrenese desman. In Groot-Brittannië is de soort wijdverbreid maar plaatselijk in Engeland, Wales en Schotland, ook op een aantal eilanden; de Britse dieren zijn beschreven als ondersoort N. f. bicolor. In Frankrijk, Duitsland en Scandinavië is zij algemeen en meer aaneengesloten verspreid. In Nederland is de verspreiding sterk versnipperd: de grootste concentraties liggen in de waterrijke delen van Friesland en Overijssel, daarnaast in beek- en rivierdalen in het oosten en zuiden, in kwelgebieden, op Texel en op de Zeeuwse eilanden. In België komt de soort plaatselijk voor, gebonden aan schone beekdalen en moerassen.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De waterspitsmuis is het hele etmaal actief in acht tot elf perioden van ongeveer anderhalf uur, met pieken na zonsondergang en voor zonsopgang. Hij jaagt zowel op het land als in het water; duiken duren meestal 2 tot 10 seconden, zelden langer dan een halve minuut, tot op een diepte van 30 cm tot 2 m. Omdat de luchtlaag in de vacht het dier opwaarts drijft, moet het zich met krachtige slagen van de achterpoten naar de bodem werken. Het voedsel bestaat uit waterpissebedden, vlokreeftjes, kokerjuffer- en muggenlarven, waterslakken en kevers, aangevuld met regenwormen en landinsecten, en af en toe met visjes, kikkervisjes en kleine amfibieën; per dag wordt ongeveer de helft tot het geheel van het eigen gewicht gegeten. Het speeksel is giftig en werkt verlammend, waardoor ook prooi van vergelijkbare grootte kan worden overmeesterd. De voortplanting loopt van april tot september, met twee tot drie worpen per jaar van drie tot acht jongen na een draagtijd van 20 tot 24 dagen, in een nest in een oeverholte of tussen boomwortels. Dieren worden 14 tot 19 maanden oud. Buiten de paartijd is de soort solitair; de leefgebieden meten enkele tientallen tot enkele honderden vierkante meters en verschuiven met de waterstand.
Waar en wanneer kijken
De kans op een waarneming is het grootst in de schemering langs een heldere beek of een sloot met een begroeide oever, stil zittend op een plek met uitzicht over ondiep water: een zwemmende waterspitsmuis is te herkennen aan een klein, zilverig glanzend lichaam dat telkens onderduikt en een spoor van luchtbelletjes achterlaat. Overdag zijn stenen, boomwortels en overhangende oevers te doorzoeken op vraatplaatsen met lege slakkenhuisjes en op keutels. Een methode zonder vangen is de lokbuis: een stuk pijp van enkele centimeters doorsnede met wat meelwormen, een week langs de waterkant gelegd en daarna op keutels gecontroleerd. Waar meerdere Neomys-soorten voorkomen, zoals in Noord-Spanje, worden de keutels bewaard voor DNA-onderzoek. Het vangen van levende spitsmuizen vraagt in onder meer Nederland een ontheffing en in Groot-Brittannië een vergunning. Braakballen van kerkuilen die bij beekdalen jagen leveren daarnaast kaken op waarmee oude vindplaatsen te bevestigen zijn.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd op wereldschaal (LC, 2016), met een groot verspreidingsgebied en een min of meer stabiele stand. Lokaal gaat de soort wel achteruit, en de oorzaken zijn bekend: normalisatie en verstening van beken en oevers, intensief maaien en schonen van slootkanten, verdroging, en verontreiniging van het water, die het voedsel van de soort het eerst treft. De waterspitsmuis geldt daardoor als indicator van schoon, structuurrijk water. Op het Iberisch Schiereiland, waar zij het leefgebied deelt met de Pyrenese desman, spelen dezelfde factoren als bij die soort: wateronttrekking, stuwmeren en verlies van oevervegetatie. Op de Nederlandse Rode Lijst van 2020 staat de soort als thans niet bedreigd, na in 1994 en 2009 als kwetsbaar te zijn aangemerkt; zij is in Nederland beschermd onder de Omgevingswet en in Groot-Brittannië tegen doden en vangen onder Schedule 6 van de Wildlife and Countryside Act. Zij staat op bijlage III van de Conventie van Bern, en in verscheidene andere landen, onder meer Letland en een reeks Russische regio's, op een regionale Rode Lijst.
Wetenschappelijke naam
Neomys fodiens | (Pennant, 1771)
Pennant beschreef de soort in 1771 als Sorex fodiens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Neomys is Grieks, van neos 'nieuw' en mys 'muis'. fodiens is Latijn voor 'gravend', het tegenwoordig deelwoord van fodere 'graven', naar de holen die het dier in de oever maakt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland, Berlijn.






