Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Tweekleurige bosspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis | Sorex coronatus

Crowned Shrew | Musaraña De Millet

De tweekleurige bosspitsmuis is een West-Europese Sorex, in 1828 door Millet beschreven uit Blou in het Franse departement Maine-et-Loire. De soort leeft van Noord-Spanje door Frankrijk tot Zwitserland, de Benelux, West-Duitsland en Jersey. Uiterlijk is zij vrijwel niet van de gewone bosspitsmuis te onderscheiden; de twee soorten verschillen wel duidelijk in hun chromosomen. In het grootste deel van het areaal is zij algemeen.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Er zijn geen sporen die uitsluitend van de tweekleurige bosspitsmuis zijn. Smalle paadjes in de strooisellaag en onder dichte vegetatie, keutels en prenten zijn gelijk aan die van de gewone bosspitsmuis. Hoge, schelle piepjes uit het gras wijzen op een spitsmuis, maar niet op de soort. De meeste gegevens komen uit braakballen, vooral van de kerkuil: de onderkaken van beide bosspitsmuizen zijn met metingen en ervaring van elkaar te onderscheiden, en daarop berust een groot deel van de verspreidingskaart.

Herkenning

Een middelgrote Sorex met een spitse snuit, kleine donkere ogen, lange snorharen en roodbruine tandpunten. De rug is donkerbruin tot zwartbruin, de onderzijde lichtgrijs. Bij volwassen dieren vormt de donkere rug een afstekende 'mantel' boven de lichtgrijze flanken en buik; daarop verwijst de naam. Bij jonge dieren ontbreekt dat contrast en gaat de bruine rug geleidelijk over in de lichte buik. De staart is tweekleurig en meet een derde tot twee derde van de kop-romplengte. Waar de soort samen met de gewone bosspitsmuis voorkomt, is zij gemiddeld kleiner en contrastrijker getekend, maar de verschillen overlappen. Het karyotype telt 2n = 22 bij vrouwtjes en 23 bij mannetjes. Kop-romplengte 5,5 tot 8,5 cm, staart 3,2 tot 5,7 cm, gewicht 6 tot 13 gram.

Gelijkende soorten

De gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) is op uiterlijke kenmerken vrijwel niet van de tweekleurige bosspitsmuis te onderscheiden. Het verschil tussen een twee- en een driekleurige vacht is geen betrouwbaar kenmerk: de gewone bosspitsmuis kan ook een zwakke flankband hebben, en jonge dieren van beide soorten zijn gelijkmatig getekend. Zekerheid geven chromosomen of DNA, en in braakballen de vorm en maten van de onderkaak, die met ervaring een betrouwbare scheiding opleveren. In Noord-Spanje leeft ook de Iberische bosspitsmuis (Sorex granarius), die evenmin in het veld te onderscheiden is. Wel te herkennen zijn de dwergspitsmuis (Sorex minutus), veel kleiner, met een naar verhouding lange, dikke staart, de waterspitsmuis (Neomys fodiens), groter en zwart met een scherp afgegrensde lichte buik, en de huisspitsmuis (Crocidura russula), grijsbruin met witte tanden, uitstekende oren en losse lange haren op de staart.

Leefgebied

Allerlei typen grasland en bos, zolang er een bodembedekkende vegetatie is: hoog gras, bossen met varens, heggen en struweel, maar ook akkerranden, bermen, heide, duinen en tuinen. Anders dan verwante soorten mijdt zij natte terreinen. In het zuiden en in gebergten leeft zij in bergbossen van naald- en loofbomen, in het laagland in loofbos. De soort is afhankelijk van een strooisel- of kruidlaag die dekking en voedsel biedt.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Endemisch in Europa: het noorden van Spanje, Frankrijk, Zwitserland, Liechtenstein, het westen van Oostenrijk, België, Luxemburg, Nederland, het westen van Duitsland en het Kanaaleiland Jersey. Aan de oost- en noordrand grenst het areaal aan dat van de gewone bosspitsmuis, met overlapzones waarin beide soorten voorkomen. Aan de noordrand, in Nederland, komt de soort verspreid voor, vooral op de pleistocene zandgronden, in Limburg en in delen van Zeeland; zij ontbreekt daar op de Waddeneilanden en in het noorden en westen van het land. De soort is monotypisch: er worden geen ondersoorten onderscheiden.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De tweekleurige bosspitsmuis is zowel overdag als 's nachts actief, gelijk verdeeld over dag en nacht en zonder seizoensverschil; de totale actieve tijd per etmaal is iets langer dan bij de gewone bosspitsmuis. Zij zoekt voortdurend voedsel en sterft na ongeveer drie uur zonder eten. In de maaginhoud komen opvallend vaak slakken voor, daarnaast larven en volwassen kevers, spinnen en bladluizen. De soort leeft solitair, maar vertoont in gedragsproeven meer sociaal gedrag dan de gewone bosspitsmuis, met vaker geritualiseerde dan directe agressie. In het veld is waargenomen dat mannetjes in het leefgebied van zogende vrouwtjes blijven, zonder bij het grootbrengen van de jongen te helpen; dat wijkt af van het losse paringssysteem van de gewone bosspitsmuis. Drachtige vrouwtjes zijn gevonden van maart tot september, met vier tot zeven embryo's; in Noord-Spanje tussen mei en augustus, met vier of vijf embryo's. Er is geen winterslaap.

Waar en wanneer kijken

Een bosspitsmuis die in het veld wordt gezien, is niet met zekerheid tot deze soort te brengen. Binnen het deel van het areaal waar alleen de tweekleurige bosspitsmuis bekend is, gaat het met grote waarschijnlijkheid om deze soort; noteer in de overlapzones 'bosspitsmuis onbepaald'. De betrouwbaarste gegevens komen uit braakballen van de kerkuil: uitgepluisde braakballen waarvan de onderkaken door een ervaren determinator zijn gedetermineerd, vormen de basis van de verspreidingskaart. Spitsmuizen zijn in de zomer en de herfst het best te horen in ruige graskanten en houtwallen. Levend vangen van spitsmuizen vraagt in de meeste landen, waaronder Nederland en België, een ontheffing, en vallen moeten vanwege het hoge energieverbruik van de dieren vaak worden gecontroleerd.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2024) op de Rode Lijst van de IUCN. De soort is in alle delen van het areaal algemeen of talrijk, behalve aan de noordrand; op de Nederlandse Rode Lijst van 2020 staat zij als thans niet bedreigd. Zoals bij andere spitsmuizen volgt plaatselijke achteruitgang op het verlies van een dichte kruid- en strooisellaag door intensief maaien, het verwijderen van houtwallen en ruigten en het verdwijnen van bosranden. De soort staat op bijlage III van de Conventie van Bern.

Wetenschappelijke naam

Sorex coronatus | Millet, 1828

Millet beschreef de soort in 1828 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sorex is het Latijnse woord voor de spitsmuis. coronatus is Latijn voor 'gekroond', bij corona 'krans, kroon'; waarop Millet doelde licht hij niet toe. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk, Maine-et-Loire.