Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Trekhamster
Trekhamster | Nothocricetulus migratorius
Gray Hamster | Hámster migrador
De trekhamster is een grijs, muisgroot lid van de hamsterfamilie zonder opvallende tekening. De soort komt voor van de Balkan tot West-China en bewoont een breed scala aan leefgebieden: droge steppe, rotsig terrein, tuinen en gebouwen. Tot voor kort heette zij Cricetulus migratorius; sinds 2018 staat zij in een eigen geslacht, Nothocricetulus. Het grootste deel van de literatuur gebruikt nog de oude naam.
Sporen
De soort graaft zelf gangenstelsels. Die reiken een halve tot anderhalve meter diep en hebben één tot vijf ingangen van twee tot drie centimeter doorsnede, meestal onder een steen, aan de voet van een struik of bij een muurtje, met een kleine waaier losse aarde ervoor. Onderin liggen een nestkamer met een bed van gras en plantenpluis en een of meer voorraadkamers met zaden; er zijn voorraden van vier- tot vijfhonderd gram beschreven, meer dan tien keer het lichaamsgewicht van een dier van vijfendertig gram. Bovengronds zijn de sporen beperkt: smalle paadjes van twee centimeter breed langs muurtjes of rotsspleten, schuin afgeknipte halmen en kleine, donkere, ovale keutels van drie tot vier millimeter in kleine hoopjes bij de ingang of onder een overhangende steen. Neemt de soort een verlaten gang van een woelmuis of blindmuis over, dan is de bewoning alleen te herkennen aan de vrijgemaakte ingang met zaadafval ervoor. In gebouwen zoals schuren, stallen en tuinhuizen wordt de voorraad soms achter een balk of in een lege bloempot gevonden. Verder komen de meeste gegevens uit braakballen van kerkuil en ransuil, waarin de soort in Zuidoost-Europa regelmatig wordt aangetroffen.
De kop van dichtbij

Herkenning
Klein: kop-romp 8,7 tot 13,4 cm, staart 2,2 tot 3,7 cm, gewicht 33 tot 38 gram; het formaat van een grote huismuis, maar veel gedrongener en met een stompe kop. De vacht is zacht en egaal licht asgrijs tot grijsbruin, zonder rugstreep, zadel of zwarte delen; buik en poten zijn zuiver wit en scherp van de bovenzijde gescheiden. De staart is kort, dik en dicht behaard, ongeveer een kwart van de kop-romplengte; dit is het beste veldkenmerk, want geen echte muis heeft zo'n korte, wollige staart. De oren zijn middelgroot, rond, dun behaard en van binnen roze; de ogen zijn klein en zwart. Ook deze soort heeft wangzakken. Jonge dieren zijn grijzer en donkerder dan volwassen dieren. Omdat een kleurtekening ontbreekt, berust de determinatie op de bouw: gedrongen lichaam, stompe snuit, korte behaarde staart en een scherpe grens tussen grijs en wit.
Gelijkende soorten
Bij deze soort zijn formaat en staart doorslaggevend. Huismuis en bosmuis hebben een lange, dunne, geschubde en vrijwel kale staart van minstens driekwart van de kop-romplengte en een spitse snuit met grote ogen. Veldmuis en andere woelmuizen hebben een kortere staart, maar ook een veel rondere kop, kleinere oren en een bruinere, ruigere vacht zonder de scherpe grens tussen grijs en wit; hun snuit is stomper en hun ogen zijn kleiner dan bij de trekhamster. De Europese hamster en de Roemeense hamster zijn vijf tot tien keer zo zwaar en hebben zwart op de onderzijde of de borst. Een dwerghamster uit de handel in huisdieren (Phodopus) heeft een donkere aalstreep en komt in Europa niet in het wild voor. Bij twijfel met het dier in de hand geven de wangzakken uitsluitsel: geen enkele echte muis of woelmuis heeft ze.
Leefgebied
Droge, open terreinen met weinig begroeiing: steppe, halfwoestijn, droge graslanden, stenige en met struiken begroeide hellingen, puinhellingen en rotsige taluds. Natte grond en gesloten bos worden volledig gemeden. In grote delen van het areaal is de soort een bergbewoner, vaak boven duizend meter en in Centraal-Azië tot boven drieduizend meter. Daarnaast is zij een uitgesproken cultuurvolger: akkerranden, graanvelden, moestuinen, wijngaarden, boomgaarden, dorpsranden en steenhopen, en in de winter ook schuren, stallen en woonhuizen, waar zij op voedselvoorraden afkomt.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Een groot areaal van Zuidoost-Europa tot West-China. In Europa en aangrenzend gebied komt de soort voor in Oost-Bulgarije en Oost-Roemenië, waar zij pas in 1959 in Zuidoost-Bulgarije werd ontdekt en later ook in Noordoost-Roemenië, verder in Moldavië, Oekraïne, Zuid-Rusland, de Kaukasus en Turkije, en in het Midden-Oosten van Syrië en Libanon tot Israël, Jordanië, Irak en Iran. Uit Griekenland zijn sinds ongeveer 1970 geen waarnemingen meer bekend; daar geldt zij als verdwenen of hoogstens als zeer schaars relict. Naar het oosten reikt het areaal door Centraal-Azië tot Mongolië, Pakistan en Noordwest-India.
Levenswijze
Nachtactief en in de schemering actief, met de meeste activiteit in de eerste uren na zonsondergang; overdag verblijven de dieren in het hol. Er is geen winterslaap; bij strenge vorst neemt de activiteit af en leven de dieren van de voorraad die in de nazomer en de herfst wordt aangelegd. Het voedsel bestaat uit zaden, granen, wortels, groene plantendelen en knollen, aangevuld met insecten en slakken; het aandeel dierlijk voedsel is voor een hamster relatief groot. De soort is solitair en agressief tegenover soortgenoten: buiten de paartijd wordt geen ander dier in het gangenstelsel geduld. De voortplanting loopt van maart tot oktober en in warme streken vrijwel het hele jaar, met drie worpen per jaar na een draagtijd van ongeveer twintig dagen en één tot dertien jongen per worp. De dieren zijn met twee maanden volwassen. De Nederlandse en de wetenschappelijke naam gaan terug op de veronderstelling dat de soort trekt: in droge jaren en na een aantalspiek verspreiden de dieren zich over grotere afstanden en verschijnen ze in dorpen en gebouwen waar ze normaal niet voorkomen. Van gerichte trek zoals bij de berglemming is echter geen sprake; het gaat om dispersie.
Waar en wanneer kijken
Zoek in de zomer in Zuidoost-Europa, Turkije of de Levant, en zoek eerst geschikt terrein: een droge, stenige helling met lage begroeiing, een oude terrasmuur, een steenhoop langs een akker of de rand van een verlaten wijngaard. Loop overdag langs de muurtjes en let op kleine ronde ingangen met een aardwaaier en op zaadafval bij spleten. Kom na donker terug met een zaklamp of warmtebeeldkijker en beweeg langzaam langs dezelfde muur; het dier is snel, maar blijft telkens even stilzitten. In veel streken is het uitpluizen van kerkuilbraakballen uit een oude kerktoren de betrouwbaarste methode om de soort vast te stellen; de korte, brede onderkaak met hamsterkiezen is dan het kenmerk. Onderzoek met levendvangkooien is elders de standaardmethode, maar is voor losse waarnemers niet geschikt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2017). Met een areaal van de Balkan tot West-China, een brede keuze aan leefgebieden en het vermogen om in cultuurlandschap en gebouwen te leven, is de soort als geheel niet bedreigd. Aan de westelijke rand van het areaal is de situatie anders. In Griekenland is zij sinds omstreeks 1970 niet meer vastgesteld en geldt zij nationaal als verdwenen; in Bulgarije en Roemenië komt zij plaatselijk en schaars voor, en de omzetting van droge graslanden in akkerland en de intensivering van de landbouw dragen daar bij aan de achteruitgang. Ook het gebruik van rodenticiden in en rond gebouwen treft de soort, omdat zij geregeld gebouwen binnenkomt. Dit bedreigt de soort als geheel niet, maar het Europese deel van het areaal trekt langzaam naar het oosten terug.
Wetenschappelijke naam
Nothocricetulus migratorius | (Pallas, 1773)
Pallas beschreef de soort in 1773 als Mus migratorius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nothocricetulus verbindt het Griekse nothos 'onecht, vals' met Cricetulus: de valse dwerghamster, in 2018 van dat geslacht afgesplitst. migratorius is Latijn voor 'zwervend, trekkend', bij migrare 'verhuizen', naar de zwerftochten die Pallas het dier toeschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kazachstan.





