Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Thomas' woelmuis
Thomas' woelmuis | Microtus thomasi
Thomas's Pine Vole | Topillo de Thomas
Thomas' woelmuis is de ondergrondse woelmuis van de zuidelijke Balkan, van Montenegro en Albanië tot de Peloponnesos; elders komt de soort niet voor. Zij is de forste en kortstaartigste soort van de groep, en haar gangenstelsel is het best onderzocht: onder één weiland is tot bijna negentig meter gang gemeten. Vrij bruikbare foto's van het dier zijn niet bekend; in het veld zijn vooral de aardhoopjes waar te nemen.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
De ondergrondse gangen van deze soort zijn beter gemeten dan die van de andere ondergrondse woelmuizen. Een gangenstelsel bestaat uit één hoofdgang van 6 tot 26 meter met een reeks zijgangen; het geheel meet tussen negen en bijna negentig meter. De gangen hebben een doorsnede van 3,4 tot 4,2 cm en liggen ondiep, meestal tien tot zeventien centimeter onder het maaiveld, met dieper gelegen nestkamers (meestal twee) en nul tot negen voorraadkamers, die vrijwel altijd leeg zijn. De helft van de onderzochte stelsels had geen enkele open ingang, de andere helft hoogstens twee. Boven de grond zijn daarom niet de ingangen maar de aardhoopjes zichtbaar: tien tot vijfentachtig per stelsel, met kop en achterpoten naar buiten geduwd, vijf tot vijfentwintig centimeter in doorsnede en drie tot vijftien centimeter hoog. Ze liggen in een onregelmatige lijn boven de gang en geven zo het verloop van het stelsel weer. Een molshoop is veel hoger en kegelvormig, bestaat uit kluiten en komt uit een verticale schacht; de blindmuis (Nannospalax), die in dezelfde Griekse weiden voorkomt, maakt aanzienlijk grotere, platte hopen. Latrines zijn in deze stelsels niet gevonden; anders dan bij de meeste woelmuizen ligt de mest verspreid. Verdere sporen zijn doorgeknaagde wortels, wortelstokken, bollen en knollen, geschilde jonge wortels in olijfgaarden en in de nazomer olijfpitten in de gang. Braakballen van kerkuil en oehoe leveren de betrouwbaarste vaststelling.
Herkenning
Voor een ondergrondse woelmuis groot en zwaar gebouwd, met een kop-romplengte van 7,1 tot 11,9 cm en een gewicht tot ruim veertig gram; noordelijke dieren zijn duidelijk groter (gemiddeld 10,2 cm) dan zuidelijke (8,8 cm). Het kenmerk is de staart: 1,2 tot 3 cm, slechts 16 tot 23 procent van de kop-romplengte, de kortste staart van alle Europese ondergrondse woelmuizen. De kop is groot en rond, het lichaam gedrongen, de ogen zijn klein en de oren kort en in de vacht verzonken. De rug is diep roodbruin, de flanken zijn okergeel, de buik donkergrijs. De schedel is zwaar gebouwd, met uitstaande jukbogen en een duidelijk hoekuitsteeksel aan de onderkaak.
Gelijkende soorten
Binnen het areaal komen nauwelijks verwante soorten voor, waardoor de determinatie voor deze groep eenvoudig is als de vindplaats bekend is. In Albanië, Montenegro, het zuiden van Bosnië en het grootste deel van Griekenland is dit de enige ondergrondse woelmuis; alleen in het noorden van de Balkan grenst het areaal aan dat van de ondergrondse woelmuis (Microtus subterraneus), die kleiner is en een langere staart heeft (twintig tot zesendertig procent tegen zestien tot drieëntwintig), en in Noord-Macedonië en Noord-Griekenland aan dat van Feltens woelmuis (M. felteni). In de overlapzones zijn de soorten, zoals in de hele groep, op een foto niet te onderscheiden; gebit of chromosomen zijn doorslaggevend. In het veld is de soort wel te onderscheiden van de bovengronds levende woelmuizen: Hartings woelmuis en de andere soorten van de guentheri-groep zijn bleker, hoger op de poten, met grotere ogen, zichtbare oren en een langere staart, en gebruiken wissels in het gras; de rosse woelmuis is roodbruin met grote ogen en een halflange staart. De soort heeft 44 chromosomen, maar de X- en Y-chromosomen variëren zo sterk in vorm en heterochromatine dat twee gescheiden rassen worden onderscheiden: het thomasi-ras in het noorden en het grootste deel van Griekenland en het atticus-ras op de Peloponnesos en in Attika. Sommige auteurs beschouwen atticus als aparte soort.
Leefgebied
Droge tot matig vochtige weiden, licht bos en boomweide, akkers, moestuinen, olijfgaarden en boomgaarden, van zeeniveau tot ongeveer 2000 meter. Gangenstelsels zijn gevonden in grasland, in akkerland en op open plekken in bos. De soort is gebonden aan een bewerkbare bodem onder een gesloten kruidlaag; kale rots en zeer natte grond worden niet bewoond. Zij komt daardoor vooral voor in het Griekse en Albanese cultuurlandschap, vaak vlak bij dorpen en akkers.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Endemisch op de Balkan. Het thomasi-ras leeft in Bosnië en Herzegovina, Montenegro, Albanië en het grootste deel van Griekenland; het atticus-ras op de Peloponnesos, op Euboea en in Attika. Daarbuiten komt de soort nergens voor; op de Griekse eilanden is zij, behalve op Euboea, niet vastgesteld.
Levenswijze
Het activiteitsritme is polyfasisch: korte perioden van eten en graven, de klok rond. Of de soort bovengronds een voorkeur voor de schemering heeft, is niet goed onderzocht; de indeling als schemeractief is daarom onzeker. Zij leeft vrijwel volledig ondergronds en komt zelden boven. Het voedsel bestaat uit ondergrondse plantendelen: wortelstokken, wortels, bollen en knollen, aangevuld met groene delen, zaden en vruchten, waaronder olijven. Een vrouwtje draagt twee tot acht embryo's, gemiddeld vier tot zes, wat voor deze groep hoog is. Een gangenstelsel wordt gedeeld, en anders dan lang werd aangenomen kan meer dan één dier van hetzelfde geslacht in één stelsel wonen; het gaat dus om een groep en niet om een paar. Er is geen winterrust; in de Griekse winter, wanneer het gras groeit, is de soort het actiefst.
Waar en wanneer kijken
Zoek naar de aardhoopjes. Loop van november tot maart, het Griekse groeiseizoen, over weiden of olijfgaarden in Epirus, de Peloponnesos of Attika en let op groepen kleine, verse aardhoopjes die in een onregelmatige lijn door het gras lopen. Graaf niet; tel de hoopjes en volg de lijn, dan is het verloop van het gangenstelsel zichtbaar. Na regen zijn ze het duidelijkst. Ingangen zijn meestal niet te vinden, en dat is kenmerkend voor de soort. Het dier zelf is vrijwel alleen bij onderzoek te zien. Om vast te stellen of de soort in een streek voorkomt, kunnen braakballen onder roestplaatsen van kerkuil of oehoe worden verzameld; op die manier is de verspreiding op de Balkan grotendeels vastgesteld.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is over het hele Balkanareaal algemeen en in het cultuurlandschap plaatselijk talrijk; in olijf- en fruitteelt geldt zij plaatselijk als schadelijk. Het onderzoek richt zich vooral op de taxonomie: het atticus-ras wordt door verscheidene auteurs als aparte soort beschouwd, en zolang die vraag open is, is de omvang van het areaal van Microtus thomasi in strikte zin niet precies bekend.
Wetenschappelijke naam
Microtus thomasi | Barrett-Hamilton, 1903
Barrett-Hamilton beschreef de soort in 1903 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. thomasi eert Oldfield Thomas (1858–1929) van het British Museum, die meer zoogdiersoorten beschreef dan wie ook. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Montenegro, Podgorica.





