Alle soorten › Haasachtigen › Hazen en konijnen › Sneeuwhaas

Sneeuwhaas | Lepus timidus

Mountain Hare | Liebre Variable

De sneeuwhaas is de haas van het noorden en van het hooggebergte. Zijn vacht verandert twee keer per jaar volledig van kleur: grijsbruin in de zomer, wit in de winter. Die kleurwisseling bepaalt voor een groot deel zijn verspreiding en zijn kwetsbaarheid in een warmer wordend Europa; in Ierland blijft de soort ook in de winter overwegend bruin.

Sneeuwhaas (Lepus timidus)
Foto: Diego González Dopico — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

In de sneeuw zijn de sporen van de sneeuwhaas beter te vinden dan het dier zelf. Het spoor vormt een Y: de twee langgerekte achtervoeten landen naast elkaar en vóór de twee voorvoeten, die schuin achter elkaar staan, zodat de groep naar voren wijst; het dier springt en zet de achtervoeten voorbij de voorvoeten neer. De achtervoetprent is 12 tot 17 cm lang in verse sneeuw, duidelijk breder dan die van de haas doordat de tenen worden gespreid en de zool dicht behaard is; in poedersneeuw zakt het dier daardoor nauwelijks weg. De sprongen meten in rustige gang 50 tot 80 cm en bij een vluchtend dier meer dan twee meter. De keutels zijn platgedrukte bolletjes van 1 tot 1,5 cm, lichtbruin tot grijsgroen, grofvezelig en bij droog weer vrijwel reukloos; ze liggen verspreid over het terrein en in hoopjes bij het leger. Het leger is een ondiepe kuil onder een dwergberk of jeneverbes of in de luwte van een steen, in de winter vaak een holte in de sneeuw met een gladgesleten ingang. In de winter zijn de vraatsporen kenmerkend: de bast van jonge berken, wilgen en jeneverbes wordt tot op het hout afgevreten, met de schuine, scherpe snijrand van de snijtanden, en twijgen worden onder een hoek van vijfenveertig graden glad afgeknipt, net als bij de haas maar boven de sneeuwlaag, soms op een meter hoogte. Losse witte haren aan takken en prikkeldraad wijzen erop dat een wissel in gebruik is.

Sneeuwhaas, loopspoor in verse sneeuw in valnontey, gran paradiso: de twee lange achtervoeten naast elkaar vóór de schuin geplaatste voorvoeten
Loopspoor in verse sneeuw in Valnontey, Gran Paradiso: de twee lange achtervoeten naast elkaar vóór de schuin geplaatste voorvoeten · Foto: Patafisik e user:Elena Tartaglione — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Sneeuwhaas, ierse ondersoort hibernicus op kwelder en duingrasland, north bull island bij dublin: hier blijft de haas het hele jaar bruin
Ierse ondersoort hibernicus op kwelder en duingrasland, North Bull Island bij Dublin: hier blijft de haas het hele jaar bruin · Foto: AlanWolfe — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Sneeuwhaas, kop in zomerkleed bij orkelsjøen boven oppdal, noorwegen: korte oren met alleen de punt zwart
Kop in zomerkleed bij Orkelsjøen boven Oppdal, Noorwegen: korte oren met alleen de punt zwart · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

In zomervacht

Sneeuwhaas, in zomervacht, lista, noorwegen, juni: grijsbruin tot leigrijs, zonder de warme roodbruine tint van de haas
In zomervacht, Lista, Noorwegen, juni: grijsbruin tot leigrijs, zonder de warme roodbruine tint van de haas · Foto: Marton Berntsen — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een middelgrote haas, korter en gedrongener dan de haas, met een ronde kop en korte oren die duidelijk korter zijn dan de kop. De achtervoeten zijn breed en dicht behaard, waardoor hij op een sneeuwkorst niet wegzakt waar een haas doorheen zakt. In de zomer grijsbruin tot leigrijs, zonder de warme roodbruine tint van de haas; vanaf oktober verandert de vacht in enkele weken in zuiver wit, met alleen zwarte oorpunten. In maart en april verloopt het proces andersom, en enkele weken lang zijn de dieren gevlekt: witte flanken, bruine kop, witte voeten. De staart is aan boven- en onderzijde wit, het hele jaar door; dit kenmerk verandert niet en is ook in de zomer en op afstand bruikbaar.

Gelijkende soorten

De haas (Lepus europaeus) overlapt in Fennoscandië, de Baltische staten, de Alpenvoetzones en Schotland en is de enige soort waarmee verwarring reëel is. Die is groter en langpotiger, roodbruin, en heeft lange oren die langer zijn dan de kop en waarvan de hele achterrand zwart is, niet alleen de punt. De staart is doorslaggevend: bij de haas is de bovenzijde zwart, bij de sneeuwhaas helemaal wit, en dat is bij een wegrennend dier goed zichtbaar. De haas wordt in de winter hooguit bleker en vlekkerig, nooit wit. Een konijn is veel kleiner, met korte oren zonder zwarte punt en een korte staart met een zwarte bovenzijde. In Ierland en Schotland leven eigen ondersoorten: de Ierse hibernicus is roodbruin en wordt zelden of nooit wit, de Schotse scoticus wordt wel wit maar houdt vaak een bruine kop; bij beide is de witte staart het beslissende kenmerk. Op het Iberisch Schiereiland komt de sneeuwhaas niet voor; in het Cantabrisch Gebergte leeft daar de Cantabrische haas (Lepus castroviejoi), die het hele jaar bruin is en een grijze nek heeft.

Leefgebied

Toendra, berkenstruweel, hoogveen en open naaldbos in het noorden; in de Alpen boven de boomgrens alpiene graslanden, dwergstruwelen en steenhellingen tot ruim 3000 meter. In Schotland heide op de hoogvlakten, in Ierland juist het laagland: ruwe weiden, duinen, kwelders en ook de randen van vliegvelden. Overal is dekking bepalend, zoals een dwergstruik, een steen of een greppel waaronder het leger kan liggen, en niet de voedselrijkdom. In het noorden trekt de soort in de winter naar lager gelegen struweel, waar boven de sneeuw nog twijgen beschikbaar zijn.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Fennoscandië en de Baltische staten door Noord-Rusland tot ver in Siberië, met geïsoleerde relictpopulaties in de Alpen (Zwitserland, Oostenrijk, Beieren, Noord-Italië, Slovenië en de Franse Alpen), in Schotland, in Ierland en op de Faeröer. In Polen en Wit-Rusland leven de laatste laaglandpopulaties van Midden-Europa, relicten uit de ijstijd die een voor een verdwijnen. In Groot-Brittannië is de soort inheems in de Schotse Hooglanden, waar ze de enige haas op de hoogste delen is, en uitgezet op Shetland, Orkney, Man en in het Peak District in Engeland. In Ierland, waar de haas recent is ingevoerd, is de Ierse sneeuwhaas het enige inheemse haasachtige dier en komt ze voor van de bergen van Kerry tot Dublin Bay. In de Lage Landen en op het Iberisch Schiereiland, inclusief de Pyreneeën, komt de soort niet voor en kwam ze in historische tijd niet voor.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Vooral 's nachts en in de schemering actief, in de poolzomer dus vrijwel de klok rond. In de zomer graast de soort grassen, zeggen en kruiden; in de winter eet ze twijgen en bast van berk, wilg, jeneverbes en heide. Zoals alle haasachtigen eet ze de eigen zachte nachtkeutels opnieuw om het voedsel een tweede keer te verteren. Ze houdt geen winterslaap en blijft ook bij dertig graden vorst boven de grond, in een sneeuwholte met de neus onder de staart. De paartijd loopt van maart tot juli; dan boksen de dieren op de achterpoten. Na 47 tot 54 dagen worden één tot vier jongen geboren, behaard, met open ogen en direct in staat te lopen; ze liggen in een ondiepe kuil en worden één keer per etmaal gezoogd, kort na zonsondergang. In het noorden zijn er één tot twee worpen per jaar, in de Alpen vaak één. Predatoren zijn lynx, vos, arend en hermelijn; in het noorden schommelen de aantallen met een cyclus van ongeveer tien jaar.

Waar en wanneer kijken

De beste kans is een heldere dag in maart of april, wanneer de sneeuw wegsmelt en een nog witte haas op bruine heide van grote afstand zichtbaar is. Geschikte gebieden zijn de Cairngorms in Schotland en in de Alpen de hellingen net boven de boomgrens; zoek met een telescoop vanaf de tegenoverliggende helling. In het noorden kun je na een verse nachtelijke sneeuwval de sporen volgen: de Y-vormige sprongen leiden naar het leger, waar het dier vaak tot op tien meter blijft zitten. De witte staart is het hele jaar een betrouwbaarder kenmerk dan de vachtkleur.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2019) over het hele areaal, maar in Europa gaat de soort op veel plaatsen achteruit. De laaglandpopulaties in Polen, Wit-Rusland en de Baltische staten krimpen al tientallen jaren, en de Alpiene populaties verschuiven naar grotere hoogte terwijl de winters korter worden. Een belangrijke factor is de kleurwisseling: die wordt door de daglengte gestuurd en niet door de sneeuw, zodat een witte haas op een sneeuwloze helling opvalt, wat de sterfte verhoogt. Waar de haas oprukt, zoals in Zweden, de Alpen en Schotland, komen daar concurrentie en kruising bij; er leven inmiddels dieren met genen van beide soorten. In Schotland zijn sneeuwhazen op korhoenderheiden tientallen jaren op grote schaal afgeschoten ter bestrijding van teken; sinds 2021 zijn ze daar wettelijk beschermd.

Wetenschappelijke naam

Lepus timidus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Lepus is het Latijnse woord voor 'haas'. timidus is Latijn voor 'schuw, bang', bij timere 'vrezen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Uppsala.