Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Ruige dwergvleermuis
Ruige dwergvleermuis | Pipistrellus nathusii
Nathusius's pipistrelle | Murciélago De Nathusius
De ruige dwergvleermuis is een van de weinige Europese vleermuizen die over lange afstanden trekken: de soort plant zich vooral voort in het noordoosten van Europa en overwintert in het zuidwesten. Onderarm 32 tot 37 mm, gewicht ongeveer 6 tot 15,5 gram. Von Keyserling en Blasius beschreven haar in 1839 als Vesperugo nathusii uit Berlijn. Een in Letland geringd dier werd na 2224 km in Noord-Spanje teruggevonden, en in 2022 werd een verplaatsing van 2486 km van Rusland naar de Franse Alpen gepubliceerd.
Sporen
Verblijven liggen in holle bomen, vogel- en vleermuiskasten, rotsspleten, dilatatievoegen van bruggen, huizen en andere gebouwen, achter houten betimmering en in houten kerken. Kraamkolonies tellen enkele tientallen tot enkele honderden dieren en worden vaak gedeeld met gewone dwergvleermuis, Brandts vleermuis en meervleermuis. Winterverblijven liggen in rotsspleten, rotswanden, grotten, mijnen en gebouwen in steden, die vermoedelijk profiteren van de warmte van de stad. In de trektijd zijn de dieren gevangen of opgenomen op boorplatforms en vissersboten; met detectoren op veerboten over de zuidelijke Noordzee is de soort in mei, september en oktober tot 106 km uit de kust vastgesteld. Mannetjes houden in de paartijd een territorium bij zwermplaatsen, dat zij tegen andere mannetjes verdedigen, en roepen daar.
Herkenning
Een kleine vleermuis, iets groter dan de gewone dwergvleermuis, met lange, egaal gekleurde vacht; de buik is iets lichter of geliger dan de rug. De kleur wisselt met het seizoen: donkerbruin of grijsbruin in de winter, roodachtig in de zomer. De staartvlieghuid is over de helft aan de lichaamskant behaard. De naakte huid is donkerbruin, de snuit kort en rond; de oren zijn kort en driehoekig, met een slanke, afgeronde tragus. De vleugels zijn voor een dwergvleermuis lang (spanwijdte 23 tot 25 cm). In het adernetwerk van de vleugel is het vak tussen elleboog en vijfde vinger door een duidelijke ader gedeeld; dat kenmerk wordt gebruikt, maar is niet altijd betrouwbaar. De binnenste bovensnijtand heeft twee punten. De vlucht is minder grillig dan bij de andere dwergvleermuizen, rechter en voorspelbaarder. De zoekroepen hebben een 'hockeystickvorm': een frequentiegemoduleerde zwaai met een vrijwel constant eind, met de piek rond 38 tot 43 kHz (in Groot-Brittannië gemiddeld 41 kHz) en een duur tot 12 ms.
Gelijkende soorten
Kuhls dwergvleermuis (Pipistrellus kuhlii) is ongeveer even groot en roept met een piek van 34 tot 41 kHz; de zoekroepen zijn niet betrouwbaar van elkaar te scheiden, maar de sociale roepen wel, en daarmee worden opnamen van vliegende dieren toegewezen. Kuhls dwergvleermuis heeft meestal een witte vleugelzoom, een kortere vacht, een ander adernetwerk en een eenpuntige binnenste bovensnijtand. De gewone dwergvleermuis (P. pipistrellus) is kleiner, met kortere vleugels, en roept hoger (42 tot 51 kHz); de kleine dwergvleermuis (P. pygmaeus) roept nog hoger (50 tot 60 kHz) en heeft een duidelijk kleinere neus. Ook de roepen van Savi's dwergvleermuis (Hypsugo savii, 30 tot 35 kHz) kunnen met die van de ruige dwergvleermuis verward worden. In een omgeving met veel begroeiing worden de pulsen sterk gemoduleerd en lijken zij op die van Myotis-soorten; in open ruimte kan het frequentiegemoduleerde deel wegvallen.
Leefgebied
Van laagland tot alpien gebied, van zeeniveau tot ongeveer 2200 m in de Alpen (waarschijnlijk losse dwaalgasten). De soort kiest bos, bosranden, moerassen, open terrein en graslanden; binnen bos loof-, laagland-, ooi- en naaldbos, en daarnaast stadstuinen met losse bomen. Zij zoekt de omgeving van vijvers, meren en ander water op en is talrijk in moerassen, broekbossen en uiterwaarden, vooral op de trek. In de overwinteringsgebieden jaagt zij bij voorkeur in natuurlijke moerassen en mijdt zij landbouwgrond en weiden. De jacht vindt plaats op 3 tot 20 m hoogte langs bosranden, lanen, bospaden en boven water, van kleine vijvers tot grote meren, en soms boven zee.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het grootste deel van Europa, van Ierland en het Iberisch Schiereiland oostwaarts tot Rusland en West-Kazachstan, verder Turkije en de Kaukasus, en eilanden in de Middellandse Zee zoals Kreta en Mallorca. Kraamkolonies zijn alleen bekend uit Noord- en Oost-Europa: Groot-Brittannië, Oost-Duitsland, de Baltische staten, Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland. In het zuidwesten overwintert de soort. Zij werd vroeger vooral in het noorden gemeld, maar wordt nu vaker in het zuiden waargenomen, en is in de laatste decennia gemeld of gevestigd in Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Zwitserland, Italië en Spanje. Ringonderzoek heeft verplaatsingen aangetoond tussen Zuid-Engeland en het vasteland, onder meer de Nederlandse kust, Letland en Litouwen.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief; de ruige dwergvleermuis vliegt in de schemering uit om vliegende insecten te vangen. Het voedsel bestaat uit tweevleugeligen en nachtvlinders, vooral dansmuggen, steekmuggen en kriebelmuggen; de samenstelling verschilt tussen kraamtijd, zwermtijd en trek. In de kraamtijd liggen de jachtgebieden op minder dan 6,5 km van de kolonie. De paring loopt van juni tot november: in de kraamkolonies, op de trek en op de zwerm- en overwinteringsplaatsen. In juni worden meestal tweelingen geboren, en eind juli verlaten de dieren de kolonies. Jonge vrouwtjes zijn in hun eerste levensjaar geslachtsrijp. De trek loopt van augustus tot oktober of november; de vrouwtjes vertrekken eerder dan de mannetjes. De dieren volgen vermoedelijk kustlijnen, maar zijn ook boven hoge bergen en langs rivieren gevangen. In Letland is tijdens de trek een strategie van vliegen en tussendoor jagen beschreven. Recordafstanden zijn 2224 km, van het natuurpark Pape in Zuid-Letland naar het natuurreservaat Laguna de Pitillas in Noord-Spanje, geringd op 21 augustus 2015 en teruggevonden op 12 maart 2017 (Alcalde e.a. 2020), en 2486 km, van Rusland naar de Franse Alpen (Vasenkov e.a. 2022). De winterslaap loopt van midwinter tot het vroege voorjaar. De hoogste bekende leeftijd is 13 jaar.
Waar en wanneer kijken
De kans op een waarneming is buiten het kraamgebied het grootst op de trek in september en oktober, langs kusten, grote meren, rivieren en moerassen. Een batdetector op 38 tot 42 kHz vangt de roepen op; zij zijn van die van Kuhls dwergvleermuis alleen via de sociale roepen te scheiden. Van de gewone dwergvleermuis verschilt de roep in toonhoogte: een piek duidelijk onder 42 kHz past niet bij de gewone dwergvleermuis. De rechte, minder grillige vlucht langs een bosrand of boven water is een aanwijzing.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is niet talrijk, maar wel wijdverbreid. Omdat zij tot de weinige langeafstandstrekkers onder de Europese vleermuizen behoort, kunnen veranderingen en versnippering van leefgebied en vliegroutes haar verplaatsingen hinderen. Als directe bedreigingen noemt het handboek het verstoren en vernietigen van verblijven, het verdwijnen van oude bomen in moerassen en directe vervolging. De ruige dwergvleermuis staat, zoals alle vleermuizen in de Europese Unie, in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder het EUROBATS-verdrag.
Wetenschappelijke naam
Pipistrellus nathusii | (von Keyserling & J. H. Blasius, 1839)
Von Keyserling & J. H. Blasius beschreef de soort in 1839 als Vesperugo Nathusii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Pipistrellus is gevormd bij het Italiaanse pipistrello 'vleermuis', dat teruggaat op het Latijnse vespertilio, bij vesper 'avond'. nathusii eert Hermann Engelhard von Nathusius (1809–1879), de Duitse landbouwkundige en zoöloog die naam maakte met zijn onderzoek naar huisdierrassen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland, Berlijn.






