Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Rosse vleermuis

Rosse vleermuis | Nyctalus noctula

Noctule bat | Murciélago Nóctulo Común

De rosse vleermuis is een grote vleermuis met een egaal roodbruine vacht, lange smalle vleugels en een onderarm van 47 tot 60 mm; zij weegt 17 tot 44 gram. Von Schreber beschreef de soort in 1774 als Vespertilio noctula uit Frankrijk. Zij verblijft vooral in boomholten, vaak oude spechtengaten, en jaagt snel en hoog boven bos, water en open land. In een groot deel van het areaal trekt zij tussen zomer- en wintergebied; de langste bekende verplaatsing binnen Europa bedraagt 1546 km.

Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)
Foto: Martin Celuch — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De verblijven liggen vooral in holten in oude bomen, vaak spechtengaten, daarnaast in spleten in gebouwen en rotsen. De roepen van de rosse vleermuis zijn luid en voor een deel van de mensen zonder detector hoorbaar. In de nazomer houden mannetjes een paarverblijf bezet en roepen zij schel bij de ingang of in de vlucht; zo'n verblijf is aan dat geluid en aan de sterke geur te herkennen. Een vrouwtjesgroep bij een mannetje telt tot 20 dieren, meestal 4 of 5. Bij het uitvliegen in de schemering zijn de dieren een voor een uit de opening te zien komen en te tellen. Winterverblijven in boomholten, rotsspleten en gebouwen kunnen tot ongeveer 1000 dieren bevatten.

Herkenning

Een grote, slanke vleermuis met een egaal roodbruine rugvacht: de afzonderlijke haren zijn over de hele lengte even gekleurd. De buik is iets lichter; jonge dieren en dieren vlak na de rui zijn doffer bruin. Gezicht, oren en vlieghuiden zijn donkerbruin. De snuit is kort en breed, met grote klieren tussen neusgaten en ogen. De oren zijn kort en driehoekig, met vier tot vijf plooien aan de buitenrand, en de tragus is heel kort en paddenstoelvormig, zoals bij alle Nyctalus-soorten. De vleugels zijn lang en smal en hechten aan de enkel; de vacht van de buik loopt door op de vleugel en de staartvlieghuid. Het dier heeft een muskusachtige geur, het sterkst bij de mannetjes in de paartijd. De vlucht is snel en recht, met duikvluchten, meestal hoog boven de boomkruinen of boven open terrein. De zoekroepen hebben een FM/QCF-vorm, met de meeste energie rond 25 kHz; twee roeptypen wisselen elkaar af, het ene met de meeste energie tussen 22 en 27 kHz, het andere tussen 17,5 en 23,6 kHz.

Gelijkende soorten

De bosvleermuis (Nyctalus leisleri) heeft dezelfde tragus en een vergelijkbare vlucht, maar is kleiner (onderarm 35 tot 46 mm) en heeft tweekleurige haren: donker aan de basis, goudbruin aan de punt. Een onderarm onder 47 mm wijst op de bosvleermuis. De grote rosse vleermuis (N. lasiopterus) is groter (onderarm 59 tot 70 mm, gewicht 33 tot 74 g) en roept lager, met een piekfrequentie rond 19 kHz; de onderarmmaten van beide soorten raken elkaar bij ongeveer 59 tot 60 mm. De laatvlieger (Cnephaeus serotinus) heeft bredere vleugels, een langere, stomp gepunte tragus en een tragere vlucht. Op de batdetector overlappen de roepen deels met die van laatvlieger, bosvleermuis en tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus, meeste energie 22 tot 27 kHz); het afwisselen van twee roeptypen is een aanwijzing voor de rosse vleermuis, maar zonder analyse van de opname blijft een deel van de waarnemingen bij 'Nyctalus/Cnephaeus/Vespertilio'.

Leefgebied

Vooral gematigd loofbos, moerassen en waterrijk gebied, en landbouwgebied met weiden; van zeeniveau tot ongeveer 1900 m, met een voorkeur voor het laagland (de hoogste waarden komen uit Zwitserland). De soort jaagt hoog boven de boomkruinen en boven open terrein en water. Zij komt ook in steden en voorsteden voor, waar zij jaagt en verblijft in oude bomen in parken en lanen. De zomerverblijven liggen vooral in holle delen van oude bomen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Groot-Brittannië, Frankrijk en Spanje oostwaarts tot West-Rusland, West-Kazachstan en Zuidwest-Turkmenistan, met Zuid-Scandinavië, Gotland, Öland en Cyprus (ondersoort N. n. noctula). Op het Iberisch Schiereiland ontbreekt de soort in een groot deel van het gebied, en in Portugal is zij lokaal uitgestorven. N. n. lebanoticus leeft in Syrië, Libanon en Noordoost-Israël, N. n. mecklenburzevi van Kazachstan tot Noordwest-China. Uit Noord-Afrika zijn alleen twee meldingen uit Algerije uit 1858 bekend, die ook op de grote rosse vleermuis kunnen slaan. Voortplanting vindt vooral in het noorden van het areaal plaats; overwintering vooral in het zuiden.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief. De rosse vleermuis jaagt in totaal ongeveer een uur per nacht, verdeeld over twee perioden: na zonsondergang en voor zonsopgang. Zij is een snelle luchtjager die hoog boven bos en open land grote vliegende insecten vangt, zoals nachtvlinders, meikevers en krekels, en daarnaast zwermende muggen, langpootmuggen en schietmotten. In Zwitserland werden in voorjaar en herfst harde kevers (Melolontha, Geotrupes) verkozen boven zwermende insecten, in de zomer omgekeerd. De soort is trekkend: vrouwtjes trekken verder en vaker dan mannetjes, die in het noorden vaak het hele jaar blijven. De meeste dieren leggen minder dan 1000 km af; het record binnen Europa is 1546 km. In het zuiden en westen van het areaal zijn de dieren grotendeels honkvast. De paring valt in de nazomer en vroege herfst, bij een mannetje met een harem in een paarverblijf; de bevruchting is uitgesteld. Kraamkolonies tellen gemiddeld 20 tot 50, soms ongeveer 100 vrouwtjes. Eind juni of juli worden na iets meer dan twee maanden draagtijd een of twee jongen geboren, meestal twee; na drie tot vier weken worden zij gespeend en na zes weken vliegen zij zelfstandig. De winterslaap loopt ongeveer van oktober tot maart of april, maar wordt onderbroken voor jachtvluchten; de dieren vliegen bij temperaturen tot ongeveer −7 °C en blijven onder −10 °C binnen. Rovers zijn onder meer havikachtigen, kiekendieven, valken, zilvermeeuwen, kraaiachtigen en de klapekster.

Waar en wanneer kijken

De rosse vleermuis vliegt vroeg uit, vaak als eerste vleermuis van de avond, en is in de schemering tegen de lucht te zien als een grote vleermuis met smalle, spitse vleugels die hoog en recht vliegt en plotseling duikt. Een batdetector afgestemd op 20 tot 25 kHz vangt de luide roepen op grote afstand op; het afwisselen van twee roeptypen met een verschillende toonhoogte hoort bij deze soort. Oude lanen, parken met holle bomen, bosranden langs meren en rivieren zijn geschikte plekken. Van maart tot oktober is de soort actief; op zachte winteravonden kunnen dieren ook buiten vliegen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is in een groot deel van het areaal wijdverbreid en algemeen. Het handboek noemt geen grote bedreigingen; het verdwijnen van verblijfplaatsen in oude bomen kan de soort treffen. Op het Iberisch Schiereiland is zij in een groot deel van het gebied verdwenen, in Portugal volledig. De rosse vleermuis staat, zoals alle vleermuizen in de Europese Unie, in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Nyctalus noctula | (von Schreber, 1774)

Von Schreber beschreef de soort in 1774 als Vespertilio noctula; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nyctalus hoort bij het Griekse nyx, genitief nyktos, 'nacht'; Bowdich licht de naam niet toe, en op welk Grieks woord hij precies teruggrijpt staat niet vast. noctula is het Italiaanse nottola 'vleermuis', bij het Latijnse noctua 'nachtuil' en nox 'nacht'; von Schreber nam het via de Franse naam la noctule als zelfstandig naamwoord over. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.