Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Noordoost-Afrikaanse grootoorvleermuis
Noordoost-Afrikaanse grootoorvleermuis | Plecotus christii
Christie's Long-eared Bat | Orejudo de Egipto
De Noordoost-Afrikaanse grootoorvleermuis is de grootoorvleermuis van de woestijn- en halfwoestijngordel van Noordoost-Afrika en het zuiden van de Levant: de Nijlvallei in Egypte en Noord-Soedan, de Sinaï, de Negev, het gebied rond de Dode Zee en Zuidwest-Jordanië. J. E. Gray beschreef haar in 1838 uit de Nijlvallei; lange tijd gold zij als ondersoort van de grijze grootoorvleermuis. Onderarm 36,4 tot 41,3 mm, gewicht 6 tot 8 gram. Van de andere grootoorvleermuizen in haar gebied verschilt zij door haar bleke kleur.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
De soort verblijft in grotten, rotsspleten, tunnels en andere ondergrondse ruimten, maar ook in gebouwen van badplaatsen, kloosters en andere gebouwen. Zij leeft meestal in kolonies, soms alleen. Kraamkolonies van tot 40 dieren zijn gevonden in rotsspleten, tunnels en grotten. Onder hangplekken liggen keutels; de roep is zo zwak dat de soort als ‘fluisterende’ vleermuis wordt aangeduid en met een detector alleen van dichtbij wordt opgenomen.
Herkenning
Een middelgrote grootoorvleermuis met oren van 32 tot 39 mm. De rugvacht is zeer bleek, omberbruin of grijsbruin; de haren zijn 8,5 tot 9,3 mm lang en driekleurig, de onderste helft roestbruin, de bovenste helft licht bruingrijs met een bruine punt. De buikzijde is witachtig. Het gezicht is licht en bijna naakt, het voorhoofd bedekt met korte witte haren; de snuit is lang en smal. De oren zijn doorschijnend en ongepigmenteerd, op de lichtbruine punten na, en hebben meestal veel dwarse groeven; aan de basis zijn de binnenranden door een lage huidband verbonden. De tragus is grotendeels doorschijnend, bruinig langs de randen, ongeveer half zo hoog als het oor en loopt uit in een stompe punt. De vleugels zijn dun, half doorschijnend en lichtgrijs. De duim is kort, 5,5 tot 5,6 mm. De schedel is kleiner dan bij de andere soorten van het geslacht, met een brede hersenpan en een korte, stompe snuit. Chromosomen 2n = 32. De ondersoort P. c. petraeus is groter dan de nominaatvorm. De echolocatie bestaat uit zwakke, breedbandige, frequentiegemoduleerde pulsen: begin 42,5 tot 48,7 kHz, einde 20,8 tot 25,7 kHz, meeste energie bij 31,4 tot 35,6 kHz, duur 1,3 tot 1,7 ms, met een tweede harmonische bij 45 tot 60 kHz die meestal vrij sterk is.
Gelijkende soorten
Volgens het handboek verschilt zij van de grootoorvleermuizen waarmee zij samen voorkomt in de bleke kleur, het kleine, smalle penisbeen en de middelgrote gehoorblaasjes (4,3–4,6 mm); de schedel is kleiner dan bij de andere soorten. De roep is vrijwel gelijk aan die van de grijze grootoorvleermuis (P. austriacus), die in dit gebied niet voorkomt. Van Plecotus kolombatovici, die waarschijnlijk tot Israël en Jordanië reikt, verschilt zij door het bijna naakte, lichte gezicht (bij P. kolombatovici is het gezicht bijna geheel behaard) en de doorschijnende oren. Plecotus gaisleri in Libië en de Maghreb heeft een donkerbruine tot donker grijsbruine vacht, en een donker gezicht, donkere oren en tragus.
Leefgebied
De subtropische woestijn- en halfwoestijngordel van de Sahara. De dieren jagen in vochtige plekken langs rivieren zoals de Nijl, in oasen bij de kust, in open terrein rond water, in het binnenland in de bergen, en in tuinen en bij natuurlijke poelen. Verblijven liggen in rotsen en grotten, maar ook in gebouwen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Twee ondersoorten. P. c. christii (Gray, 1838) leeft in Egypte en Noord-Soedan, in het gidsgebied in de Nijlvallei en de Nijldelta. P. c. petraeus (Benda, 2008) leeft in Zuid-Israël, Zuidwest-Jordanië en Noordoost-Egypte (Sinaï). Het areaal is klein; binnen dat areaal is de soort lokaal talrijk.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Het voedsel bestaat vooral uit nachtvlinders: in keutels uit Israël bestond het volledig uit vlinders, elders zijn ook sprinkhanen en kevers gemeld, en rond de Dode Zee daarnaast schietmotten en tweevleugeligen. In de Negev was een vrouwtje begin maart in het begin van de dracht; bij de Dode Zee zoogde de helft van de half april gevangen vrouwtjes, en één zoogde half juni nog. Over het gedrag in de winter, verplaatsingen en levensduur zijn geen gegevens gepubliceerd; of en hoe lang de dieren in de koele maanden in torpor gaan, is niet onderzocht.
Waar en wanneer kijken
Grotten, tunnels en rotsspleten in wadi's van de Sinaï, de Negev en rond de Dode Zee, en oude gebouwen en kloosters in de buurt van water, zijn de plekken waar de soort gevonden is. De bleke vacht en de doorschijnende oren zijn in een foto van dichtbij zichtbaar. Zoek verblijven niet op in de kraamtijd, van maart tot juni; verstoring van verblijven wordt als waarschijnlijke bedreiging genoemd.
Staat van instandhouding
Onvoldoende gegevens (DD) op de mondiale Rode Lijst, beoordeling 2019. Er zijn geen populatieschattingen. Het natuurlijke leefgebied is verkleind en sterk versnipperd, en de soort wordt waarschijnlijk getroffen door verstoring door mensen, vooral bij de verblijven.
Wetenschappelijke naam
Plecotus christii | J. E. Gray, 1838
J. E. Gray beschreef de soort in 1838 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Plecotus is Grieks, van plekein 'vlechten, in elkaar draaien' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de reusachtige oren die boven het voorhoofd aan elkaar vastzitten. christii eert Turnbull Christie, de Britse arts en reiziger die het British Museum de Egyptische exemplaren bezorgde waarop Gray zijn beschrijving baseerde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.





