Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Myotis escalerai
Myotis escalerai | Myotis escalerai
Escalera's Myotis | Myotis escalerai
Myotis escalerai is de grotbewonende soort van het franjestaartcomplex op het Iberisch Schiereiland. Ángel Cabrera beschreef haar in 1904 uit Valencia als eigen soort; daarna werd zij lange tijd als synoniem of ondersoort van de franjestaart (M. nattereri) behandeld, tot genetisch onderzoek van Ibáñez en collega's in 2006 liet zien dat de Iberische dieren een aparte lijn vormen. Onderarm 37,1 tot 42 mm, gewicht 4,5 tot 6,3 gram. Haar naaste verwant is M. zenatius uit Noord-Afrika. Uiterlijk lijkt zij sterk op de franjestaart.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
De dieren verblijven in natuurlijke en kunstmatige grotten, mijnen, tunnels en andere ondergrondse ruimtes, meestal verborgen in spleten; verblijven in boomholten of onder bruggen zijn slechts incidenteel gemeld. Kraamkolonies tellen van enkele tientallen tot 800 vrouwtjes met jongen, soms samen met Capaccini's vleermuis en de ingekorven vleermuis. In de herfst neemt in grotrijke gebieden het aantal mannetjes bij zwermplaatsen sterk toe. Omdat de soort aan grotten gebonden is, zijn kolonietellingen in grotten de voornaamste bron van gegevens.
Herkenning
Kop-romp 42 tot 50 mm, staart 42 tot 50 mm, oor 15,1 tot 18 mm, onderarm 37,1 tot 42 mm. Een middelgrote Myotis met de kenmerken van het franjestaartcomplex: een rand van haren langs het staartvlies en een duidelijk S-vormig spoorbeen. De rug is bruin tot grijs, de buik lichtgrijs tot witachtig; jonge dieren zijn veel donkerder. Langs de rand van het staartvlies staan een duidelijke rij naar binnen gerichte haren en een kortere rij naar buiten gerichte haren. De vleugel is aan de middenvoet aangehecht. Het gezicht is kaal en roze, vooral rond de ogen, met een lange snuit; de oren steken voorbij de neuspunt als ze naar voren worden gelegd en hebben meerdere plooien aan de buitenrand. Chromosomen 2n = 44. De roep bestaat uit korte, sterk gemoduleerde pulsen die bij 120 tot 140 kHz beginnen en bij 15 tot 20 kHz eindigen, een bereik van ongeveer 130 kHz, zoals bij de franjestaart.
Gelijkende soorten
De soort is uitwendig nauwelijks te onderscheiden van de franjestaart (M. nattereri), M. crypticus en M. zenatius. Tegenover M. crypticus, waarmee zij in de bergbossen van de noordelijke helft van het Iberisch Schiereiland samen voorkomt, zijn er twee kenmerken in de hand: de aanhechting van de vleugel aan de middenvoet (bij M. crypticus aan de basis van de teen) en de twee rijen haren langs het staartvlies (bij M. crypticus één rij korte, naar buiten gerichte haren). Alle maten overlappen; de beschrijvers van M. crypticus konden de soorten alleen met een combinatie van veel schedel- en lichaamsmaten volledig scheiden. M. zenatius leeft in Noord-Afrika en komt niet samen met deze soort voor. Het onderscheid van roepen binnen het complex, en van andere kleine Myotis-soorten, is volgens het handboek moeilijk en omstreden. De rand van haren aan het staartvlies onderscheidt het complex van andere Myotis-soorten.
Leefgebied
Een breed scala aan leefgebieden, van droge gebieden zoals het Ebrobekken tot loof- en naaldbos in de bergen, eikenbos, parken en boomgaarden met olijf en amandel, meestal op lagere hoogte maar tot ongeveer 1400 m. Beslissend is de aanwezigheid van grotten of andere ondergrondse verblijven; de zomerverblijven hebben een temperatuur van 17 tot 21 °C.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het Iberisch Schiereiland, noordwaarts tot in de Franse Pyreneeën, en de Balearen. Het handboek vermeldt dat de soort vooral in de koudste en vochtigste delen van haar areaal mogelijk algemener is dan bekend. Omdat de Iberische franjestaarten pas sinds 2006 als aparte soort worden behandeld, en M. crypticus pas sinds 2019 is beschreven, zijn oudere Iberische gegevens van de franjestaart niet zonder DNA aan een van de twee soorten toe te wijzen.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De soort geldt als honkvast. Zij jaagt waarschijnlijk zoals de franjestaart: dicht bij vegetatie, takken en bladeren, waarbij zij prooien van bladeren of van de grond pakt, ook met het staartvlies. De paring vindt plaats in de herfst, van september tot november, tijdens het zwermen. De jongen worden meestal in mei geboren, zijn in juli op een leeftijd van minder dan twee maanden zelfstandig en verlaten dan de kolonie. De dieren wisselen gemakkelijk van verblijf. De winterslaap vindt plaats in ondergrondse verblijven.
Waar en wanneer kijken
In Spanje en Portugal is een franjestaart in een grot, in een grote kraamkolonie, waarschijnlijk deze soort; een franjestaart in een boomholte of gebouw in de bergbossen van het noorden kan ook M. crypticus zijn. Verstoring van kolonies in grotten is een van de hoofdbedreigingen: tel van buiten, bij de uitvlieg, en betreed geen kraamgrotten. Vangen en hanteren van vleermuizen is overal in de Europese Unie vergunningplichtig.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT) op de mondiale Rode Lijst, beoordeeld in 2023. Verstoring, vandalisme en vernietiging van grotten zijn de voornaamste bedreigingen en kunnen grote kolonies treffen. Volgens het handboek zijn twee van de grootste bekende kolonies verdwenen nadat de grotingang ongeschikt was afgesloten. In de Europese Unie valt zij, zoals alle vleermuizen, onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn.
Wetenschappelijke naam
Myotis escalerai | Cabrera, 1904
Cabrera beschreef de soort in 1904 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. escalerai eert de Spaanse entomoloog en verzamelaar Manuel Martínez de la Escalera (1867–1949), die het typemateriaal bij Valencia bijeenbracht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Spanje, Valencia.






