Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Microtus hartingi
Microtus hartingi | Microtus hartingi
Harting's Vole | Microtus hartingi
Microtus hartingi is een grote woelmuis van de Balkan en Anatolië die pas recent als aparte soort is erkend. Barrett-Hamilton beschreef het dier in 1903 naar exemplaren uit Larissa in Thessalië; daarna werd het een eeuw lang tot de mediterrane woelmuis (Microtus guentheri) gerekend. Vergelijking van de chromosomen van Griekse, Thracische en Anatolische dieren met die van dieren uit de Levant toonde aan dat het om een aparte soort gaat, waartoe het gehele Europese deel van het vroegere areaal van M. guentheri behoort.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
De gangen liggen twintig tot vijfenveertig centimeter onder de grond en kunnen tot tachtig centimeter diep gaan; één stelsel heeft drie tot vijftig ingangen en beslaat drie tot meer dan honderdvijftig vierkante meter. In jaren met hoge dichtheid zit een braakliggend perceel in Thracië of Thessalië vol gangen. In de gangen worden voorraden van afgebeten grassprieten aangelegd; anders dan de zustersoort in de Levant slaat deze soort geen graan op, een van de weinige beschreven gedragsverschillen tussen beide. Bovengronds zijn er wissels tussen de ingangen, hoopjes schuin afgebeten gras langs de wissels en latrines met keutels van vier tot zeven millimeter. Bij hoge dichtheden gaan de dieren rechtop op de achterpoten staan om rond te kijken en laten ze een fluitend geluid horen; dat geluid boven een stoppelveld wijst op een massale toename. Braakballen van kerkuil en velduil geven de betrouwbaarste soortenlijst, maar binnen het guentheri-complex leiden ze niet verder dan de groep.
Herkenning
Groot en zwaar voor een Microtus: kop-romp 10,3 tot 13,8 cm, gewicht 31 tot 76 gram. De staart is zeer kort, 2,2 tot 3,5 cm, ongeveer een vijfde van de kop-romplengte. Zoals bij de zustersoort vallen de uitstekende oren en de grote ogen op; daardoor verschilt de soort van alle ondergrondse woelmuizen. De vacht is licht vaalbruin met donkere haarpunten, die de rug een gespikkelde indruk geven, beige op de flanken en beigewit op de buik; de schedel is zwaar, met matig opgezwollen gehoorblazen.
Gelijkende soorten
De soortstatus berust op kenmerken die uiterlijk niet zichtbaar zijn. Met de mediterrane woelmuis (Microtus guentheri), waarvan de soort is afgesplitst, deelt ze formaat, kleur, bouw en het chromosoomaantal (beide 2n = 54). De twee zijn in het veld noch in de hand te onderscheiden; het onderscheid berust op de C- en G-bandering van de chromosomen en op DNA. De vindplaats is wel bruikbaar: deze soort leeft in Zuid-Servië, Noord-Macedonië, Zuidoost-Bulgarije, Griekenland tot en met Lesbos, Turks Thracië en West- en Midden-Anatolië; de mediterrane woelmuis pas vanaf Zuidoost-Turkije. In Bulgarije en Noord-Griekenland komen daarnaast de veldmuis en Microtus mystacinus voor: die zijn duidelijk kleiner en lichter, geler en korter van oor, maar op afstand is het verschil niet sluitend; de veldmuis en M. mystacinus zijn onderling zelfs met de schedel in de hand moeilijk te scheiden, en daar beslissen de chromosomen (2n = 46 tegen 54) of het DNA. Feltens woelmuis, Thomas' woelmuis en de ondergrondse woelmuis, die in hetzelfde gebied voorkomen, zijn kleine gravende woelmuizen met zeer kleine ogen, verborgen oren en een nog kortere staart, en zijn wel te onderscheiden. Een grote woelmuis met een korte staart en grote oren in graanland in Griekenland of Thracië is op grond van de vindplaats deze soort.
Leefgebied
Droog, open terrein: weiden, steppeachtig grasland, braakland en uiteenlopend bouwland, van zeeniveau tot ongeveer 1500 meter. De soort leeft in het graan- en luzerneland van de laagvlakten van de Balkan en het Anatolisch plateau, en op de stoppelvelden, akkerranden en verwaarloosde percelen daartussen. In tegenstelling tot de aardmuis en Microtus lavernedii mijdt ze natte grond, en in tegenstelling tot de ondergrondse woelmuizen is ze niet gebonden aan losse, diepe bodem.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Zuid-Servië, Noord-Macedonië, Zuidoost-Bulgarije, Griekenland met het eiland Lesbos, Turks Thracië en West- en Midden-Anatolië; de typelocatie ligt bij Larissa in Thessalië. De soort is de enige vertegenwoordiger van het guentheri-complex in Europa: wat in oudere Europese literatuur, veldgidsen en verspreidingsatlassen als Microtus guentheri op de Balkan en in West-Turkije is vermeld, heeft betrekking op deze soort. In West- en Midden-Europa ontbreekt ze.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Het hele jaar actief, in korte perioden verspreid over het etmaal, met een verschuiving naar schemering en nacht in de hete zomermaanden. Planteneter, met een dagelijkse behoefte van vijftien tot negentien gram droog voedsel: grassen en kruiden, wikke, luzerne, paardenbloem en tijm, aangevuld met akkergewassen. De soort leeft in familiegroepen van een broedpaar met de jongen van een of twee worpen. De voortplanting stopt van juli tot september, de droge maanden, en loopt de rest van het jaar door. De draagtijd is eenentwintig tot drieëntwintig dagen in Bulgarije en tweeëntwintig tot vierentwintig in Anatolië; de gemiddelde worp telt vier tot zeven en een half jongen, en een vrouwtje kan per seizoen tot zeven worpen en tweeënveertig jongen krijgen. Vrouwtjes zijn na vijfendertig dagen geslachtsrijp. Deze voortplantingscapaciteit verklaart de plaagjaren die de landbouw in Thracië en Anatolië geregeld treffen.
Waar en wanneer kijken
Zoek in Noord-Griekenland, Thracië of op het Anatolisch plateau langs graan- of luzernepercelen naar akkerranden en braakstukken: waar de soort voorkomt, liggen de ingangen in groepen van tientallen, en de wissels zijn als paadjes door het gras te volgen. De beste periodes zijn het late voorjaar en de vroege herfst, buiten de zomerhitte. In plaagjaren zijn de dieren overdag zichtbaar, is het fluiten boven de akkers te horen en verzamelen zich roofvogels: buizerd, torenvalk, grauwe kiekendief en boven de Thracische vlakte ook slangenarend en steppekiekendief. Braakballen van kerkuilen uit dorpskerken of verlaten boerderijen geven een overzicht van de kleine zoogdieren in de omgeving.
Staat van instandhouding
Niet beoordeeld (NE). De IUCN heeft de soort na de afsplitsing nog niet apart beoordeeld; de beoordeling op de Rode Lijst betreft Microtus guentheri in ruime zin, waartoe deze soort tot voor kort werd gerekend. De soort is algemeen en wijdverbreid, en op de Balkan en het Anatolisch plateau plaatselijk een landbouwplaag die in piekjaren graan, luzerne en jonge aanplant beschadigt en met gifkorrels wordt bestreden. De eilandpopulatie op Lesbos en de westelijke uitlopers in Servië en Noord-Macedonië zijn de kleinste en meest geïsoleerde delen van het areaal; over hun omvang is vrijwel niets bekend.
Wetenschappelijke naam
Microtus hartingi | Barrett-Hamilton, 1903 (GBIF: Microtus guentheri)
Barrett-Hamilton beschreef de soort in 1903 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. hartingi eert vrijwel zeker de Britse natuuronderzoeker James Edmund Harting (1841–1928), redacteur van The Zoologist, waaraan Barrett-Hamilton geregeld bijdroeg; de beschrijver licht de naam niet toe. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Griekenland, Thessaly.



