Alle soorten › Roofdieren › Katachtigen › Caracal

Caracal | Caracal caracal

African Caracal | Lince Africano

De caracal is een middelgrote, hoogbenige kat van droog, open land in Afrika, het Midden-Oosten en Zuidwest- en Centraal-Azië. Binnen het gidsgebied leeft hij in Noord-Afrika, de Levant en Turkije; in Israël is hij algemeen, in Noord-Afrika zeldzaam. Ondanks de lange oorkwasten hoort hij niet bij de lynxen: genetisch staat hij het dichtst bij de Afrikaanse goudkat.

Caracal (Caracal caracal)
Foto: Derek Keats — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Over sporen van de caracal in het gidsgebied is weinig vastgelegd. Prooien ter grootte van een haas worden gedood met een beet in de nek, grotere prooien met een keelbeet die verstikt. Rustplaatsen overdag liggen tussen struiken en rotsen, en de jongen worden geboren in grotten, boomholten of holen. In Israël is de soort met zenders bestudeerd.

Herkenning

Een slanke, hoogbenige kat met krachtige achterpoten die langer zijn dan de voorpoten, zodat het dier bij het kruis hoger lijkt dan bij de schouder. De staart is kort en reikt tot de hielen. De vacht is kort en ongevlekt, egaal grijsbruin tot steenrood; buik, kin en keel zijn witachtig met lichte vlekken. Opvallend zijn de grote oren, aan de achterkant zwart, met zwarte kwasten van 4 tot 5 cm. In het gezicht loopt een donkere streep van het midden van het voorhoofd naar de neus, en er zijn witte vlekken boven en onder de ogen en naast de neus. Mannetjes wegen 8 tot 20 kg, vrouwtjes 6,2 tot 15,9 kg. Er zijn melanistische dieren bekend.

Gelijkende soorten

De moeraskat komt in de Levant en Egypte in hetzelfde gebied voor. Hij is ook ongevlekt en heeft eveneens oorkwastjes, maar die zijn kort, de achterkant van de oren is roodbruin in plaats van zwart, en de staart heeft een zwarte punt. De Afrikaanse wilde kat is kleiner, heeft een lange, dunne staart met donkere ringen en vaak strepen of vlekken op de poten.

Leefgebied

Droge bossen, savanne, acaciastruweel, heuvelachtige steppe en droge berggebieden tot 2500 m hoogte. Echte woestijn en dicht tropisch regenwoud worden gemeden. De soort zit vaak op overgangen tussen bos of struweel en grasland; 's nachts wordt open grasland gebruikt, maar overdag zijn struiken en rotsen nodig als rustplaats.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Een groot deel van Afrika, het Arabisch Schiereiland en het Midden-Oosten, en via Iran en Centraal-Azië tot India. In Noord-Afrika leeft de ondersoort C. c. algira, van Turkije en Palestina oostwaarts tot India C. c. schmitzi. Binnen het gidsgebied is de caracal bekend uit Marokko, Algerije, Tunesië, Libië, Egypte, Israël, de Palestijnse gebieden, Jordanië, Libanon, Syrië en Turkije; vrijwel alle recente waarnemingen komen uit Israël.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Overwegend nachtactief. In Israël waren de dieren vooral actief van schemering tot dageraad, soms tot in de vroege ochtend; hoe lang ze overdag actief waren hing af van de temperatuur en van de activiteit van de prooi. In heuvelachtig terrein met veel dekking bewegen caracals zich ook overdag. De prooi weegt meestal minder dan 5 kg: hazen, klipdassen, knaagdieren en vogels. In Israël waren zoogdieren de belangrijkste prooi, met hazen voorop; vogels, vooral patrijzen, vormden 24% van het voedsel, en daarnaast werden blindmuizen, egels, Egyptische ichneumons, reptielen en insecten gegeten. Vogels worden met hoge sprongen uit de lucht gevangen. Caracals leven solitair. In Israël legden mannetjes gemiddeld 10,4 km per dag af en vrouwtjes 6,6 km; de leefgebieden van mannetjes maten gemiddeld 220 km², die van vrouwtjes 57 km². In Israël paarde een vrouwtje achtereenvolgens met meerdere mannetjes, in een volgorde die met leeftijd en gewicht van de mannetjes samenhing. Na een draagtijd van 68 tot 81 dagen worden meestal twee jongen geboren (1 tot 6), die op 9 tot 10 maanden wegtrekken.

Waar en wanneer kijken

In het gidsgebied is Israël veruit de beste plek; de meeste waarnemingen vallen in de schemering of 's nachts. In koelere perioden en op bewolkte dagen is een caracal ook overdag actief.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016) op wereldschaal. De Aziatische populaties staan op bijlage I van CITES, de overige op bijlage II. De soort is zeldzaam in Noord-Afrika, Turkmenistan, Pakistan en Arabië en algemeen in Israël en een groot deel van zuidelijk Afrika. In zuidelijk Afrika wordt zij als schadedier gedood omdat zij vee pakt; in het oosten van het areaal is verlies van leefgebied de belangrijkste bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Caracal caracal | (von Schreber, 1776)

Von Schreber beschreef de soort in 1776 als Felis caracal; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Caracal gaat via Buffon terug op het Turkse karakulak 'zwartoor', van kara 'zwart' en kulak 'oor', naar de zwarte oorpluimen. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika, Tafelberg.