Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Algerijnse muis

Algerijnse muis | Mus spretus

Algerian Mouse | Ratón Moruno

De Algerijnse muis is een wilde muis van het westelijke Middellandse Zeegebied. Hij leeft in Spanje, Portugal, Zuid-Frankrijk en de Maghreb in akkers, olijfgaarden en maquis en komt, anders dan de huismuis, niet in gebouwen. In het open mediterrane landschap van Iberië is hij in veel streken de talrijkste muis.

Algerijnse muis (Mus spretus)
Foto: Julien Renoult — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De sporen zijn die van een Mus en niet te onderscheiden van die van de huismuis. Keutels van drie tot acht millimeter, spoelvormig met puntige uiteinden, vers zwart en glanzend, verspreid langs de looproutes en niet in een latrine. Knaagsporen met paarsgewijze streepjes van ongeveer een millimeter op zaden, graan, eikels, amandelen en vruchten; graankorrels worden uitgehold en de lege doppen blijven liggen. Prenten kleiner dan een centimeter, met vier tenen aan de voorvoet en vijf aan de achtervoet, en een dun sleepspoor van de staart, in stuifzand of fijn stof op een dorsvloer. Kenmerkend voor deze soort is een gangenstelsel: hij legt uitgebreide stelsels van door elkaar lopende gangetjes aan door de strooisellaag en net onder het bodemoppervlak, te vinden als een netwerk van holle looproutes onder een laag dood gras en cistusblad; als het strooisel wordt weggeschoven, ligt het stelsel bloot. Veegsporen en urinepilaartjes, sporen die de huismuis binnenshuis achterlaat, maakt hij niet, omdat hij niet in gebouwen komt. In Iberië wordt de soort het vaakst aangetoond via braakballen van de kerkuil.

Herkenning

Een muis van bijna acht tot ruim negen centimeter kop-romplengte, met een korte staart: vijf tot zeven centimeter, 57 tot 93 procent van de kop-romplengte. De korte staart is het belangrijkste kenmerk. De rug is geelbruin tot grijsbruin, zandkleuriger dan bij de huismuis, en de buik is wit of lichtgrijs en scherper afgegrensd. Oren elf tot vijftien millimeter, achtervoet veertien tot eenentwintig. Het gewicht is zeven tot negentien gram. Eén kenmerk onderscheidt hem in de hand van alle andere Europese Mus: de bovensnijtanden hebben aan de achterzijde géén inkeping, terwijl de huismuis, de steppemuis, de Macedonische huismuis en de Cypriotische muis die wel hebben. Dit kenmerk is met een loep te controleren.

Gelijkende soorten

De huismuis (Mus musculus) is de soort waarmee verwarring het meest voorkomt; het onderscheid is duidelijker dan bij de andere wilde Mus-soorten. Het beslissende kenmerk is de staart: bij de huismuis even lang als kop en romp, bij de Algerijnse muis duidelijk korter. Daarnaast is de buik bij de huismuis grijs tot geelwit en zonder scherpe grens, bij de Algerijnse muis bleker en scherper afgegrensd, en ontbreekt bij de Algerijnse muis de inkeping in de bovensnijtand. In Iberië geeft de leefomgeving een aanwijzing: binnenshuis de huismuis, in het mediterrane veld de Algerijnse muis. Dit is niet sluitend, omdat de huismuis in de zomer ook naar graanakkers en moestuinen trekt. De bosmuis is groter en warm roodbruin, met veel grotere ogen en oren, een zuiver witte buik, een lange tweekleurige staart en een springende gang. Spitsmuizen zijn insecteneters met een lange, puntige snuit en zeer kleine oogjes. In Noord-Afrika komt de soort samen voor met kleine woestijnmuizen, die lange achterpoten en een lange staart met een eindpluim hebben.

Leefgebied

Mediterraan cultuurland en het struweel eromheen: maquis, garrigue en doornig struweel, droge graslanden, akkers en akkerranden, olijfgaarden en wijngaarden, dehesa, heggen en hellingen met bramen, en overal waar struiken, bramen of dood hout dekking geven. In Portugal is een voorkeur aangetoond voor grasland met hoge vegetatie en plekken met struiken, bramen of dood hout. In Noord-Afrika leeft hij in ijl beboste terreinen met veel kale grond, met de hoogste dichtheden in landbouwgebied. Volgroeid bos en zeer dichte vegetatie worden gemeden, en in gebouwen komt de soort niet.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het westelijke Middellandse Zeegebied: Portugal, heel Spanje met de Balearen, Zuid-Frankrijk tot ongeveer de Rhône en de Provence, en in Noord-Afrika Marokko, Noord-Algerije, Tunesië en Noord-Libië. In Spanje komt hij op het hele schiereiland voor en is hij in veel streken de talrijkste muis van het open land; op de Canarische Eilanden ontbreekt hij. In Frankrijk reikt het areaal tot de Languedoc en de Provence, met een noordgrens die ongeveer samenvalt met die van de olijf. De soort ontbreekt op de Britse Eilanden, in de Lage Landen, Italië en op de Balkan.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nacht- en schemeractief en volledig aan de grond gebonden. Het voedsel is gevarieerd: vruchten, zaden en groene plantendelen, en daarnaast insecten; in Noord-Afrika kan hij schade aan gewassen veroorzaken. In Zuid-Frankrijk en Spanje ligt de voortplanting in de winter stil, met twee pieken, in het voorjaar en aan het eind van de zomer. De draagtijd is negentien tot twintig dagen, de worp telt twee tot tien jongen, gemiddeld iets meer dan vijf; de ogen gaan open na twaalf tot veertien dagen, het spenen valt in de derde week en de volwassen maat wordt na acht tot negen weken bereikt. Hij is minder sociaal dan de huismuis en minder koloniaal dan de steppemuis, maar heeft stabielere banden tussen mannetje en vrouwtje. De dichtheden liggen op drie tot twaalf dieren per hectare en de dagelijkse verplaatsingen op enkele tientallen tot ruim honderd meter. In Portugal hadden mannetjes een leefgebied van gemiddeld 343 vierkante meter, dat de gebieden van ten minste twee vrouwtjes overlapte maar gescheiden bleef van dat van andere mannetjes; dit exclusieve territorium wordt actief tegen indringers verdedigd. Er is geen winterslaap.

Waar en wanneer kijken

Ga op een warme avond in het voorjaar of de nazomer naar een olijfgaard, een akkerrand of een pad door de maquis, bijvoorbeeld in Andalusië, de Alentejo of de Languedoc, en schijn met een zwakke lamp langs de bodem en de voet van de struiken. Een kleine zandbruine muis met een korte staart die rent in plaats van springt, is deze soort. Kijk overdag in het strooisel onder cistus en brem: waar een netwerk van gangetjes onder het strooisel ligt, is de soort aanwezig. In huizen en schuren leeft de huismuis; het vaststellen van die scheiding is in Iberië een eenvoudige veldopdracht. Braakballen van kerkuilen uit een kerktoren in de dehesa bevatten vaak tientallen exemplaren.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016), algemeen en over het hele areaal wijdverbreid. De soort is gebaat bij het traditionele mediterrane landbouwlandschap met randen, muurtjes, bramen en braakland, en neemt af waar dat landschap wordt vergroot: kaal gemaaide perceelsranden, het verdwijnen van heggen en dood hout en het omzetten van dehesa en droge akkers in intensieve teelt verminderen de dekking. Bestrijding met anticoagulantia in olijf- en amandelgaarden treft hem, hoewel hij geen plaagsoort in huizen is, en laat resten na in uilen en kleine roofdieren. Als prooidier is de soort van groot belang: hij is een hoofdvoedsel van kerkuil, steenuil, genetkat, wezel en slangen, en van de Iberische lynx in zijn eerste levensjaren. In het laboratoriumonderzoek is hij een van de belangrijkste wilde verwanten van de huismuis: kruisingen tussen Mus spretus en de laboratoriummuis hebben een groot deel van de genetische kaart van zoogdieren opgeleverd.

Wetenschappelijke naam

Mus spretus | Lataste, 1883

Lataste beschreef de soort in 1883 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Mus is het Latijnse woord voor 'muis', verwant met het Griekse mys. spretus is Latijn voor 'versmaad, verworpen', het voltooid deelwoord van spernere 'afwijzen'. Het is een oordeel van Lataste over de behandeling die de soort tot dan toe van de zoölogen kreeg, niet een kenmerk van het dier. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algerije, Oued Magra.