Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Zwartvleugelkievit
Zwartvleugelkievit | Vanellus melanopterus
Black-Winged Lapwing | Avefría Lugubroide
De zwartvleugelkievit is een kievit van het koele, hooggelegen grasland in het oosten van Zuid-Afrika en Eswatini. In het gebied komt alleen de zuidelijke ondersoort minor voor; de nominaatvorm leeft ruim drieduizend kilometer noordelijker in de hooglanden van Ethiopië en Kenia.
Geluid
Een hoog, dubbel tsjie-roek en een doordringend tieuw-tieuw, vooral in de vlucht; bij verstoring een snelle reeks hoge tonen. Ook 's nachts roepend tijdens verplaatsingen.
Opname: Tim Cockcroft — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
26–27 cm. Kop en hals zijn grijs met een grote witte voorhoofdsvlek die tot boven het oog reikt. Onder de grijze borst ligt een brede zwarte band, en de buik is wit. De rug is grijsbruin. De snavel is zwart, het oog geel met een rode oogring, de poten zijn dofrood. In de vlucht toont de vleugel een witte diagonale band over de dekveren, zwarte armpennen en handpennen, en een witte staart met een brede zwarte eindband. De geslachten zijn gelijk; jonge vogels zijn bruiner met lichte veerzomen en een smallere, bruinige borstband.
Verwarringssoorten
De rouwkievit Vanellus lugubris is kleiner en slanker, met een kleinere witte voorhoofdsvlek, een smalle zwarte borstband en donkere poten; in de vlucht heeft hij witte armpennen en geen witte band over de dekveren. De diadeemkievit Vanellus coronatus is groter en zandbruin, met een zwarte kap met witte ring en een rode snavelbasis, en komt vaak in hetzelfde grasland voor.
Leefgebied
Kort, natuurlijk grasland in heuvelland en op hoogvlakten, vaak op pas afgebrande hellingen, en ook kortgegraasde weiden en sportvelden. Vermijdt hoog gras. In de winter ook in lager gelegen grasland en in open plekken tot vlak bij de kust.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied beperkt tot het oosten van Zuid-Afrika en Eswatini: het oostelijke hoogveld van Mpumalanga, de middenlanden en de Drakensberg-uitlopers van KwaZulu-Natal en het noordoosten van de Oost-Kaap, met in de winter een verschuiving naar de kustvlakte van KwaZulu-Natal en het uiterste zuiden van Mozambique. Een dwaalgast in Zimbabwe. De nominaatvorm leeft in Ethiopië, Kenia en het noorden van Tanzania.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rijd in het broedseizoen, augustus tot november, over de binnenwegen van de middenlanden van KwaZulu-Natal of de omgeving van Wakkerstroom en let op pas verbrande hellingen. In de vlucht is de witte diagonale vleugelband het beste kenmerk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, maar in zuidelijk Afrika met een beperkt areaal. Omzetting van grasland in bosbouwplantages en akkers en het verdwijnen van regelmatige grasbranden verkleinen het broedgebied.
Wetenschappelijke naam
Vanellus melanopterus | (Cretzschmar, 1829)
Cretzschmar beschreef de soort in 1829 als Charadrius melanopterus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vanellus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Vanellus is het verkleinwoord van het Latijnse vannus, 'wanmolen' — naar het geluid en de vorm van de brede, ronde vleugels in vlucht, die aan een wiekende wanmolen doen denken. melanopterus komt van het Griekse melas, 'zwart', en pteron, 'vleugel' — naar de brede zwarte band in de vleugel die in vlucht opvalt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Djedda, Saoedi-Arabië.

