Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Zwarte spoorkoekoek

Zwarte spoorkoekoek | Centropus grillii

Black Coucal | Cucal Negro

De zwarte spoorkoekoek is de kleinste spoorkoekoek van het gebied en de enige die in broedkleed een geheel zwart lichaam met kastanjebruine vleugels draagt. Hij leeft verborgen in hoog, nat gras en laat zich vooral kennen door zijn holle, borrelende roep. Bij deze soort zijn de rollen omgedraaid: het grotere vrouwtje verdedigt het territorium en paart met meerdere mannetjes, die broeden en de jongen grootbrengen.

Zwarte spoorkoekoek (Centropus grillii)
Foto: Diogo Luiz — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een holle, doffe reeks van twee lettergrepen, poep-poep ... poep-poep, vaak lang herhaald vanuit het gras, en een borrelende, waterige reeks die opent en afzakt, woe-woe-woe-woe-woe, zoals bij andere spoorkoekoeken maar zachter en sneller. Het vrouwtje roept vooral bij het begin van het regenseizoen, soms vanaf een grashalm of lage struik.

Luister: ZangXC1101262

Opname: Magnus Wadstein — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

30–35 cm; het vrouwtje is duidelijk groter dan het mannetje. In broedkleed zijn kop, lichaam en de lange, brede staart dof zwart, met fijne lichte bandering op de stuit; de vleugels zijn helder kastanjebruin met donkere banden op de handpennen. Het oog is donker, de snavel zwart en betrekkelijk kort. In rustkleed is de vogel geheel anders: bovendelen donkerbruin met rossige en gele streepjes en bandjes, kop en borst geelbruin met lichte schachtstrepen, onderdelen bleek geelbruin en de staart fijn gebandeerd; de snavel is dan hoornkleurig. Jonge vogels lijken op het rustkleed. Vliegt laag en zwaar over het gras met de staart gespreid en duikt snel weer weg.

Verwarrings­soorten

De wenkbrauwspoorkoekoek Centropus superciliosus en de Senegalese spoorkoekoek Centropus senegalensis zijn groter en hebben in elk kleed witte of roomwitte onderdelen; bij de eerste valt bovendien de witte wenkbrauw op. De koperstaartspoorkoekoek Centropus cupreicaudus is veel groter, met een donkere kop en een koperkleurig glanzende staart. Het gestreepte rustkleed lijkt op jonge vogels van die soorten, maar is kleiner, met fijnere, gele streping over kop en rug en een kortere snavel.

Leefgebied

Hoog, dicht gras in seizoensgebonden overstroomde vlakten, moerasranden, vleien en natte graslanden met verspreide struiken; ook rietranden langs rivieren en vloedvlakten. Foerageert op de grond en in het gras op sprinkhanen, kevers en andere grote insecten, af en toe kikkers. Het nest is een losse koepel van gras, laag in een pol, vaak met overgebogen halmen gecamoufleerd.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vooral in het noorden van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique en noordelijk Botswana (Okavangodelta, Linyanti en Chobe), met de Zambezi-regio van Namibië; schaars in het noorden en oosten van Zimbabwe en alleen uitzonderlijk in het uiterste noordoosten van Zuid-Afrika. Verplaatst zich met de regens naar pas overstroomd grasland en trekt daarna weer weg. Daarbuiten verspreid over grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek van december tot maart in natte graslanden langs de Okavango, de Chobe of de Zambezi en luister in de vroege ochtend naar het holle poep-poep. Een roepend vrouwtje klimt soms even in een grashalm of struikje en is dan zichtbaar; daarbuiten is de soort vooral in de vlucht waar te nemen, laag boven het gras met de rossige vleugels.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en over een groot areaal verspreid. De soort is afhankelijk van seizoensgebonden overstroomde graslanden en verdwijnt waar die worden drooggelegd, omgeploegd of te intensief begraasd of verbrand. Door de verborgen leefwijze en het seizoensgebonden voorkomen is hij in het gebied vermoedelijk ondergemeld.

Wetenschappelijke naam

Centropus grillii | Hartlaub, 1861

Hartlaub beschreef de soort in 1861 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Centropus werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Centropus komt van het Griekse kentron, 'spoor, prikkel', en pous, 'voet' — naar de lange, rechte achternagel, de 'spoor' waaraan spoorkoekoeken hun naam danken. grillii eert de Zweedse beschermheer van de wetenschap, oudheidkundige en boekverzamelaar Johan Wilhelm Grill (1815–1864). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gabon.