Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Zwart porseleinhoen

Zwart porseleinhoen | Zapornia flavirostra

Black Crake | Polluela Negra Africana

Het zwart porseleinhoen is de meest waargenomen ral van zuidelijk Afrika: een geheel zwart hoentje met een felgele snavel en rode poten dat openlijk over waterlelies en langs rietranden loopt, soms zelfs op de rug van nijlpaarden.

Zwart porseleinhoen (Zapornia flavirostra)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, raspend duet van een paar of een familiegroep: een snel oplopend en weer aflopend gekwetter en gekakel, rrrr-krrr-krrr-kokoko, vaak uitlopend in een kwakend gesnater. Ook een scherp tjek bij onraad. Zeer vaak te horen, ook overdag.

Luister: ZangXC1149001

Opname: Kileo Jumah — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 21 cm. Het volwassen verenkleed is egaal glanzend zwart, op rug en vleugels iets bruiner olijfzwart. De snavel is helder groengeel tot citroengeel, het oog en de oogring rood en de lange poten en tenen helder koraalrood. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn dof olijfbruin tot grijsbruin met een lichte keel, een donkere snavel en bruinige tot doffe roze poten; ze krijgen geleidelijk het zwarte kleed. Wipt voortdurend met de korte staart.

Verwarrings­soorten

Door de combinatie van zwart kleed, gele snavel en rode poten onmiskenbaar. Het Afrikaans waterhoen (Paragallinula angulata) heeft ook een gele snavel, maar met een rode rug en schildje, een grijze kop, een olijfbruine rug en groengele poten. Het waterhoen (Gallinula chloropus) is groter, met een rode snavel en een witte flankstreep. Jonge zwarte porseleinhoenders zijn te verwarren met andere jonge rallen, maar zijn egaal donker zonder strepen of bandering.

Leefgebied

Vrijwel elk zoet water met dichte oevervegetatie: rietkragen, papyrus, waterlelievelden, rivieroevers met overhangende struiken, dammen, vleien en rioolzuiveringsvijvers. Loopt over drijvende vegetatie en foerageert in de open rand. Eet waterinsecten, wormen, slakken, kleine vissen, kikkervisjes, eieren en zaden, en pikt parasieten van nijlpaarden en wrattenzwijnen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Algemeen in het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden van Botswana en Namibië, Eswatini en in Zuid-Afrika vooral in het oosten, op het Hoogveld en langs de zuidkust tot in de West-Kaap; ontbreekt in de droge Karoo, de Kalahari en de Namib. Daarbuiten in vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara en langs de Nijl.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond bij bijna elke vijver met waterlelies of een rietkraag in het oosten van het gebied; vaak de eerste ral die een bezoeker te zien krijgt. Wacht bij een schuilhut aan een lelievijver of bij rivierlodges in de Okavango en Kruger: de vogels lopen tot vlak voor de kijker over de bladeren.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen. Past zich goed aan kunstmatige wateren aan. Plaatselijk teruggang waar oevervegetatie verdwijnt door beweiding, maaien of het droogleggen van moerassen.

Wetenschappelijke naam

Zapornia flavirostra | (Swainson, 1837) (GBIF: Amaurornis flavirostra)

Swainson beschreef de soort in 1837 als Gallinula flavirostra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zapornia werd in 1816 ingevoerd door Leach. Zapornia is een bijna-anagram van Porzana, de geslachtsnaam van de Franse ornitholoog Louis-Pierre Vieillot. flavirostra komt van het Latijnse flavus, 'geel', en rostrum, 'snavel' — naar de felgele snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.