Alle soorten › Hoppen en neushoornvogels › Neushoornvogels › Zuidelijke roodsnaveltok

Zuidelijke roodsnaveltok | Tockus rufirostris

Southern Red-Billed Hornbill | Toco Piquirrojo Sureño

De zuidelijke roodsnaveltok is de kleine, roodsnavelige tok van het mopane- en doornveld, in het noordoosten van het gebied vaak de talrijkste neushoornvogel. Hij foerageert grotendeels op de grond en is een vertrouwde verschijning in de parken van het laagveld.

Zuidelijke roodsnaveltok (Tockus rufirostris)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange reeks klokkende noten, wa-wa-wa-wa-kok-kok-kok-kokok, die versnelt en aanzwelt. Bij het roepen buigt de vogel de kop, maar in tegenstelling tot verwante roodsnaveltokken heft hij de vleugels niet. Paren roepen in duet.

Luister: RoepXC827411

Opname: Ehren Eksteen — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 42 cm, met een slanke, gebogen rode snavel; bij het mannetje is de ondersnavel aan de basis in wisselende mate zwart, bij het vrouwtje is de snavel korter en geheel rood. De iris is geel en de naakte huid rond het oog roze tot grijs. Kruin en achterhals zijn donkergrijs, het gezicht wit met duidelijke zwarte streping van de oorstreek tot opzij van de hals. De bovendelen zijn zwartbruin met rijen witte vlekken op de dekveren en een witte rugstreep, de keel en onderdelen wit.

Verwarrings­soorten

De Damaratok (Tockus damarensis) van het noordwesten van Namibië heeft een donkere iris en een wit gezicht zonder of met weinig streping. De geelsnaveltok (Tockus leucomelas) is groter en heeft een gele snavel. Monteiro's tok (Tockus monteiri) is groter, met een grijsbruine kop, wit vleugelveld en witte buitenste staartpennen. De roodsnaveltok (Tockus erythrorhynchus) komt pas ten noorden van het gebied voor.

Leefgebied

Mopaneveld, droog doornveld en open gemengd bosveld met kale grond onder de bomen, ook rond kampen en dorpen. Foerageert vooral op de grond, waar hij met de snavel in zand en mest wroet naar termieten, mierenlarven, keverlarven en sprinkhanen. Broedt in natuurlijke boomholten, die het vrouwtje dichtmetselt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het noorden en oosten van het gebied: het noorden en noordoosten van Namibië, Botswana, Zimbabwe, het zuiden van Zambia en Malawi, het zuiden van Angola, Mozambique ten zuiden van de Zambezi, het laagveld van Eswatini en het noordoosten van Zuid-Afrika (Limpopo, Mpumalanga en het noorden van KwaZoeloe-Natal). In het noordwesten van Namibië vervangen door de Damaratok. Daarbuiten nauwelijks; het areaal ligt vrijwel geheel binnen het gebied.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het hele jaar talrijk in het Krugerpark, vooral in het mopaneveld van het noorden, en in de parken van Zimbabwe en Botswana. Let op vogels die op kale grond rond kampplaatsen scharrelen. In het noorden van Namibië is het de moeite om bij elke roodsnaveltok het oog te bekijken, omdat de Damaratok daar in de buurt voorkomt.

Staat van instandhouding

Niet apart door de IUCN beoordeeld; hij wordt gerekend tot de roodsnaveltok in ruime zin (Tockus erythrorhynchus, niet bedreigd). In het areaal algemeen. Plaatselijk kan de soort achteruitgaan door houtkap van grote nestbomen en door langdurige droogte, waarin broedpogingen mislukken.

Wetenschappelijke naam

Tockus rufirostris | (Sundevall, 1850)

Sundevall beschreef de soort in 1850 als Buceros rufirostris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tockus werd in 1830 ingevoerd door Lesson. Tockus is klanknabootsend, naar het tokkende, tikkende geluid van de roep van deze neushoornvogels. rufirostris is Latijn voor 'met rode snavel', van rufus, 'rood', en rostrum, 'snavel'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Niet vermeld.