Alle soorten › Trapachtigen › Trappen › Zuid-Afrikaanse kuiftrap

Zuid-Afrikaanse kuiftrap | Lophotis ruficrista

Red-Crested Korhaan | Sisón Moñudo Austral

De Zuid-Afrikaanse kuiftrap is de kleine trap van het bosveld en doornveld, met een kenmerkende baltsvlucht: het mannetje schiet loodrecht omhoog, klapt dan de vleugels in en tuimelt als neergeschoten naar beneden om vlak boven de grond weer open te vouwen. De roestrode kuif waaraan hij zijn naam dankt, is maar zelden te zien.

Zuid-Afrikaanse kuiftrap (Lophotis ruficrista)
Foto: Wayne77 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje begint met een reeks droge klikken, tik-tik-tik-tik, die versnellen en overgaan in een reeks luide, fluitende tonen, pieu-pieu-pieu-pieu, tot een minuut lang; vooral bij zonsopgang en in de schemer, vaak voordat de vogel te zien is.

Luister: ZangXC1080080

Opname: JJSUN — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein voor een trap, 48 tot 53 cm. De bovendelen zijn bruin met opvallende roomwitte V-vormige tekening, die op de rug een schubbenpatroon vormt. Het mannetje heeft een zwarte buik en borst, een grijze kop en hals en een roze-roestrode kuif op het achterhoofd die meestal plat ligt; een witte vlek aan de borstzijde scheidt de zwarte onderzijde van de vleugel. Het vrouwtje heeft een bruine kop met donkere tekening, een witte borstband en een zwarte buik. De snavel is donker met een lichte basis, de poten geelachtig.

Verwarrings­soorten

De Botswanatrap (Afrotis afraoides) en de zwarte trap (Afrotis afra) hebben bij het mannetje een geheel zwarte kop en hals met een witte oorvlek en missen de V-tekening op de rug. De zwartbuiktrap (Lissotis melanogaster) is groter en langhalziger, met een zwarte streep over de voorhals bij het mannetje. De Senegaltrap (Eupodotis senegalensis) heeft een witte buik.

Leefgebied

Droog, open tot vrij dicht bosveld en doornveld, vooral Kalahari-doornveld, acaciasavanne en gemengd bosveld met een kale of spaarzaam begroeide bodem, ook mopaneveld. Leeft solitair en verborgen onder struiken. Eet insecten, vooral termieten, mieren en kevers, verder zaden en bessen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vrijwel endemisch voor het gebied: Botswana, het noorden en midden van Namibië, Zimbabwe, het zuiden van Mozambique, het noorden van Zuid-Afrika (Limpopo, Noordwest, het laagveld van Mpumalanga en het noorden van KwaZulu-Natal) en Eswatini, verder het zuiden van Angola en het zuidwesten van Zambia. Verwante soorten vervangen hem in Oost- en West-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister in het Krugerpark, Pilanesberg, Etosha of de Kalahari bij zonsopgang naar de klikkende en fluitende roep en zoek dan naar een mannetje dat roept vanaf de grond, vaak half onder een struik. De baltsvlucht is het meest te zien in het voorjaar en de vroege zomer; kijk boven het bosveld naar een vogel die plotseling verticaal oprijst.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in grote delen van het bosveld algemeen. Plaatselijk vermindert de soort door omzetting van bosveld in akkerland, maar zij verdraagt licht beweid land en veeboerderijen goed.

Wetenschappelijke naam

Lophotis ruficrista | (Smith, 1836)

Smith beschreef de soort in 1836 als Otis ruficrista; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lophotis werd in 1848 ingevoerd door Reichenbach. Lophotis komt van het Griekse lophos, 'kuif', en ōtis, 'trap' — naar de roodbruine kuif van het mannetje. ruficrista komt van het Latijnse rufus, 'roodbruin', en crista, 'kuif' — naar de roze-roodbruine kuif van het mannetje, die meestal verborgen blijft. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bij Latakoo (Dithakong), Noord-Kaap, Zuid-Afrika.