Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Zambesipalmlijster

Zambesipalmlijster | Cichladusa arquata

Collared Palm Thrush | Zorzal Palmero Acollarado

De Zambesipalmlijster is een grijsbruine, langstaartige lijsterachtige met een zwart halsbandje, die sterk gebonden is aan waaierpalmen in de warme riviervlakten van het noorden en oosten van het gebied. Zijn opgewekte, fluitende duetten zijn een vertrouwd geluid rond de Victoriawatervallen en langs de middenloop van de Zambezi.

Zambesipalmlijster (Cichladusa arquata)
Foto: Jenny Varley — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een heldere reeks fluittonen en tjilpende noten, tsjie-tsjerrie-wie-tsjoep, vaak als duet tussen man en vrouw gezongen en eindeloos gevarieerd, met nabootsingen van andere vogels. De roep is een zacht tsjuk en een raspend alarm. Zingt vooral in de vroege ochtend en bij zonsondergang, soms ook 's nachts bij maanlicht.

Luister: ZangXC791944

Opname: Oliver Fowler — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een slanke vogel van 18 tot 19 cm met een lange, vaak opgestoken staart. Kruin en rug zijn grijsbruin, de vleugels en staart warm roodbruin. Keel en borst zijn crème tot bleek okergeel en worden omlijst door een dun zwart halsbandje dat van de mondhoek langs de wang naar de borst loopt. De buik is vaalwit met grijze flanken. Het oog is opvallend lichtgeel tot crème; snavel zwart, poten grijs. De seksen zijn gelijk; jonge vogels missen de halsband en zijn wat gevlekt. Loopt veel over de grond en wipt de staart omhoog terwijl de vleugels hangen.

Verwarrings­soorten

De Gabonpalmlijster (Cichladusa ruficauda) van Angola en de Kunene is geheel roodbruiner van boven, mist de zwarte halsband en heeft een oranje oog; de verspreidingsgebieden raken elkaar niet. De witbrauwwaaierstaart (Cercotrichas leucophrys) is kleiner, met een witte wenkbrauw, witte vleugelstrepen en een gestreepte borst. De Kurrichanelijster (Turdus libonyana) heeft een oranje snavel en zwarte baardstrepen, maar geen halsband en geen roodbruine staart.

Leefgebied

Savanne en riviervlakten met waaierpalmen (Hyphaene en Borassus), oeverbos met palmen, eilanden in grote rivieren en erven, dorpen en lodgetuinen met palmen, meestal onder de 1200 m. Foerageert op de grond op insecten. Het nest is een napje van modder en plantenvezels op de bladvoet van een palmblad.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in de Zambezivallei en zijrivieren: Zambia (Zambezi, Luangwa, Kafue), het noorden van Zimbabwe (Victoriawatervallen, Kariba, Mana Pools), het uiterste noorden van Botswana (Kasane en de Chobe) en de Zambezi-regio van Namibië, verder Malawi (Shirevallei en de oevers van het Malawimeer) en Mozambique tot aan de kust. Buiten het gebied in het zuiden van Congo-Kinshasa, Tanzania en het uiterste zuidoosten van Kenia.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek rond lodges bij de Victoriawatervallen, in Kasane of bij Mana Pools naar waaierpalmen en luister in de vroege ochtend naar het fluitende duet. De vogel zit vaak op palmbladen of rent over grasveldjes onder de palmen; let op het lichte oog en het halsbandje.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk algemeen waar palmen groeien en de aantallen zijn stabiel; de soort heeft baat bij palmen rond dorpen en lodges. Het kappen van palmen voor palmwijn of bouwmateriaal kan haar lokaal verdrijven.

Wetenschappelijke naam

Cichladusa arquata | Peters, 1863

Peters beschreef de soort in 1863 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cichladusa voerde hij in datzelfde werk in. Cichladusa komt van het Griekse kikhlē, 'lijster', en adousa, 'zangeres' — naar de rijke, gevarieerde zang van de palmlijsters. arquata komt van het Latijnse arcuatus, 'gebogen' — naar de zwarte, boogvormige band die de lichte keel omlijst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sena aan de Zambezi, Mozambique.