Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Witvleugelstern

Witvleugelstern | Chlidonias leucopterus

White-Winged Tern | Fumarel Aliblanco

De witvleugelstern is de talrijkste moerasstern van het gebied: een kleine stern die in de zomer in zwermen van honderden tot duizenden vogels boven pannen, meren en overstroomde graslanden jaagt. Hij broedt in Oost-Europa en Azië en is hier vooral in winterkleed te zien, maar in maart en april verschijnen de eerste vogels in het opvallende zwart-witte broedkleed.

Witvleugelstern (Chlidonias leucopterus)
Foto: Frank Vassen — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, raspend kesj of kèr, korter en hoger dan bij de witwangstern, en een snel herhaald kek-kek. In grote zwermen een voortdurend geroezemoes.

Luister: VluchtroepXC1153206

Opname: Paul Kelly — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 22 cm, met een korte, fijne snavel, vrij brede vleugels en een korte, nauwelijks gevorkte staart. In winterkleed zijn kop en onderdelen wit, met een geïsoleerde donkere vlek achter het oog, als een koptelefoon, en een fijn gespikkelde achterkruin die niet tot een kap samenvloeit. De rug is lichtgrijs, de stuit wit en duidelijk lichter dan rug en staart. In broedkleed zijn kop, lichaam en ondervleugeldekveren diepzwart en contrasteren sterk met de witte voorvleugel, witte stuit en staart en de zilvergrijze handpennen; snavel en poten zijn dan rood. Vogels in rui zijn onregelmatig zwart gevlekt. Jonge vogels hebben een donkerbruin zadel dat afsteekt tegen de grijze vleugels.

Verwarrings­soorten

De witwangstern Chlidonias hybrida in winterkleed is groter, met een langere en zwaardere snavel, een grijze stuit gelijk aan rug en staart, en een donkere oorvlek die met de gestreepte achterkruin samenvloeit. De zwarte stern Chlidonias niger in winterkleed heeft een donkere vlek op de borstzijde, een grijze stuit, een donkerder rug en een donkere kap die ver over de kruin doorloopt; in broedkleed heeft hij grijze, geen zwarte ondervleugels.

Leefgebied

Pannen, meren, stuwmeren, moerassen, overstroomde graslanden, rioolwaterzuiveringen en rijstvelden. Jaagt in losse zwermen laag boven water en natte vlakten, en plukt insecten, vooral vliegende mieren en termieten, van het wateroppervlak of uit de lucht; volgt soms onweersbuien om uitzwermende termieten te vangen. Rust op palen, dammen en modderbanken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over vrijwel het hele gebied, met de grootste aantallen in het noorden en oosten: Zambia, Malawi, Zimbabwe, het noorden van Botswana met de Okavango en de Makgadikgadi-pannen, Mozambique en het noorden van Namibië; in Zuid-Afrika talrijk op het hoogveld en in KwaZoeloe-Natal, schaarser in de droge westelijke delen. Broedt van Oost-Europa tot Centraal- en Oost-Azië en overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara, Zuid-Azië en Australië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van november tot maart vaak te zien boven rioolwaterzuiveringen, pannen en stuwmeren, soms in zwermen van duizenden. In maart en april is het de moeite waard om zwermen door te kijken op vogels in broedkleed, dan is de soort onmiskenbaar. Let bij winterkleed op de witte stuit en de losse oorvlek.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, met een zeer grote wereldpopulatie. De aantallen in het gebied schommelen sterk van jaar tot jaar met de regenval en de hoeveelheid water.

Wetenschappelijke naam

Chlidonias leucopterus | (Temminck, 1815)

Temminck beschreef de soort in 1815 als Sterna leucoptera; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chlidonias werd in 1822 ingevoerd door Rafinesque. Chlidonias komt van het Griekse khelidonios 'zwaluwachtig', van khelidon 'zwaluw'. leucopterus is Grieks, van leukos 'wit' en -pteros 'gevleugeld'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de kust van de Middellandse Zee.