Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Witkopstormvogel

Witkopstormvogel | Pterodroma lessonii

White-Headed Petrel | Fardela de Frente Blanca

De witkopstormvogel is een grote, krachtige Pterodroma met een witte kop, een donker oogmasker en een donkere ondervleugel. Het is een soort van de koude subantarctische wateren die in zuidelijk Afrika vooral rond de Prins Edwardeilanden wordt gezien en voor het vasteland een grote zeldzaamheid is.

Witkopstormvogel (Pterodroma lessonii)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgzaam. In de kolonies 's nachts een hoog, fluitend tiu-tiu-tiu en jammerende, kreunende roepen vanuit de holen.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC863027

Opname: Kevin Guille — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 43 cm, fors, met lange vleugels en een dikke zwarte snavel. Kop, hals en onderdelen zijn wit, met een opvallende zwarte vlek rond en voor het oog; de kruin en achterhals zijn licht grijs gewassen. Rug en bovenvleugel zijn grijs met donkerder handpennen en een vage donkere M-tekening, de stuit en staart lichtgrijs tot wit. De ondervleugel is donkergrijs tot zwartachtig en contrasteert sterk met het witte lichaam. De poten zijn vleeskleurig met donkere tenen. Seksen en leeftijden zijn gelijk. Vliegt in hoge, snelle bogen met stijve vleugels, vooral bij harde wind.

Verwarrings­soorten

De donsstormvogel (Pterodroma mollis) is kleiner en donkerder van boven, met een grijze kop en borstband en een donkere staart. Schlegels stormvogel (Pterodroma incerta) heeft een geheel bruine kop en borst. De grijze stormvogel (Fulmarus glacialoides) heeft ook een witte kop, maar een roze snavel, een witte ondervleugel en witte vlakken in de handpennen.

Leefgebied

Koude subantarctische en subtropische wateren tussen ongeveer 30° en 65° zuiderbreedte, vooral boven diep water en langs fronten. Eet vooral inktvis en vis, meest 's nachts. Broedt in holen in venige grond tussen graspollen op subantarctische eilanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied een regelmatige foerageergast op zee rond Marion en Prince Edward, maar daar geen broedvogel. Voor het vasteland een zeldzame dwaalgast met verspreide gegevens ten zuidwesten van de Kaap en dichter bij de Zuid-Afrikaanse kust, vooral in de winter. Broedt op de Crozet- en Kerguelen-eilanden, Macquarie, de Auckland- en Antipodeneilanden, en zwerft rond de hele Zuidelijke Oceaan.

Hoe en wanneer kijken

Voor het vasteland is er geen betrouwbare plek; de kans is het grootst op winterse pelagische tochten ver voorbij de rand van het plat vanuit Kaapstad. Op de reis naar Marion is de soort in open zee wel regelmatig te zien. Een witte kop met een zwart oogmasker boven een donkere ondervleugel is kenmerkend.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, met een grote wereldpopulatie. Op verschillende broedeilanden zijn katten, ratten en konijnen een bedreiging geweest; waar ze zijn uitgeroeid, zoals op Macquarie, herstelt de soort zich. Bijvangst speelt nauwelijks een rol.

Wetenschappelijke naam

Pterodroma lessonii | (Garnot, 1826)

Garnot beschreef de soort in 1826 als Procellaria Lessonii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterodroma werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte. Pterodroma is Grieks, van pteron 'vleugel' en dromos 'loop, hardloper', naar de snelle, zwierende vlucht. lessonii eert de Franse chirurg en natuuronderzoeker René Primevère Lesson (1794–1849), die als scheepsarts wereldreizen maakte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijke Grote Oceaan, ten westen van Kaap Hoorn.