Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Wespendief
Wespendief | Pernis apivorus
European Honey Buzzard | Abejero Europeo
De wespendief is een Palearctische trekvogel die als schaarse zomergast het bosrijke noorden en oosten van zuidelijk Afrika bereikt. Hij leeft vooral van larven en poppen van wespen en bijen, die hij met zijn poten uit de grond of uit nesten graaft, en brengt de zuidelijke zomer onopvallend door in bosveld en bosranden.
Geluid
In zuidelijk Afrika vrijwel stil. In het broedgebied een hoog, klagend, fluitend wiehu of pie-luu, dat in het overwinteringsgebied slechts zelden te horen is.
Opname: Mathieu Franzkeit — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 55 cm, iets groter en slanker dan een buizerd, met een kleine, duifachtige kop op een lange nek, een tamelijk lange staart en een geel oog. Het verenkleed varieert van bijna wit tot donker chocoladebruin, met veel gestreepte en gebandeerde tussenvormen. Het mannetje heeft een grijze kop en een grijs oog-gebied; de staart draagt twee donkere banden dicht bij de basis en een brede eindband, de ondervleugel een zwarte achterrand en een paar donkere dwarsbanden. Het vrouwtje is bruiner met smallere, meer gelijk verdeelde staartbanden. Het dichte, schubachtige verenpak op kop en teugel beschermt tegen steken. Jonge vogels hebben een donker oog, een gele washuid en een donkere staart met meer, fijnere banden. In de vlucht vallen de uitgestoken kop, de lange, smal ingesnoerde staart en de vlak gehouden vleugels op.
Verwarringssoorten
De buizerd (Buteo buteo) heeft een kortere nek en een bredere, ronde kop, een kortere staart met fijne banden en houdt de vleugels in een ondiepe V. Wahlbergs arend (Hieraaetus wahlbergi) heeft een vierkante staart zonder brede banden, bevederde tarsen en rechte, plankvormige vleugels. De dwergarend (Hieraaetus pennatus) toont witte 'landingslichten' aan de vleugelvoorrand en een gelijkmatig lichte staart. Kop op een lange nek, de karakteristieke staartbanden en het gele oog wijzen op de wespendief.
Leefgebied
Bosveld, miombo, oeverbos, bosranden en plantages, ook grote tuinen met hoge bomen; mijdt droge, open vlakten. Zit lang en verborgen in de kroon of loopt op de grond om wespennesten op te graven; eet verder termieten, andere insecten, hagedissen en kikkers. Broedt niet in het gebied.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Schaars maar jaarlijks in het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique en Zimbabwe, het noorden van Botswana en de Zambezi-strook van Namibië, en in Zuid-Afrika vooral in Limpopo, Mpumalanga, Eswatini en KwaZulu-Natal; verder zuidelijk en westelijk slechts incidenteel. Broedt in Europa en West-Azië tot West-Siberië en overwintert in West- en Centraal-Afrika; zuidelijk Afrika ligt aan de rand van het winterareaal.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De kans is het grootst in december en januari in bosrijk laagveld, bijvoorbeeld in het noorden van Kruger of langs de Zambezi. Vliegende roofvogels boven bos zijn het best te controleren op de kleine, vooruitstekende kop en de staartbanden; een vogel die op de grond staat te graven is bijna altijd een wespendief. Elke waarneming ten zuiden van de Limpopo is het noteren waard.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de Europese broedpopulatie is groot en stabiel. Grote aantallen trekkers worden echter geschoten tijdens de doortrek over het Middellandse Zeegebied, vooral in Libanon en op Malta. In zuidelijk Afrika is de soort zo schaars dat trends niet te meten zijn.
Wetenschappelijke naam
Pernis apivorus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Falco apivorus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pernis werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Pernis gaat terug op het Griekse pernēs, bij Aristoteles de naam van een roofvogel. apivorus is Latijn, van apis 'bij' en -vorus 'etend', naar het uitgraven van nesten van wespen en bijen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


