Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Visdief

Visdief | Sterna hirundo

Common Tern | Charrán Común

De visdief is de talrijkste stern langs de kusten van zuidelijk Afrika, maar broedt er niet: hij komt uit Europa en Azië en overwintert hier in tienduizenden. Vrijwel alle vogels zijn in winterkleed, waardoor ze meer op de andere middelgrote sterns lijken dan in de broedgebieden.

Visdief (Sterna hirundo)
Foto: MPF — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een schril, rollend kie-jaarr met de nadruk op de tweede lettergreep, en een kort kik of kirri-kirri in groepen. Op slaapplaatsen een aanhoudend geroezemoes.

Luister: VluchtroepXC1165549

Opname: Lionel FREDERIC — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

31–35 cm, inclusief de staartspiesen. In winterkleed wit voorhoofd en voorkruin en een zwarte achterkruin en nek; de snavel is zwart, soms met wat rood aan de basis, de poten donkerrood. De bovendelen zijn middengrijs, met een donkere carpaalbalk op de voorvleugel. De buitenste handpennen vormen een donkere wig die door slijtage in de loop van de zomer opvalt; van onderen is alleen de achterrand van de handpennen breed donker. Stuit en staart zijn wit, de staartspiesen reiken in zit niet voorbij de vleugelpunt. Vogels in broedkleed, met zwarte kap en rode snavel met zwarte punt, zijn vooral in maart–april te zien. De vlucht is licht, met regelmatige vleugelslagen; vist door te bidden en schuin in het water te duiken.

Verwarrings­soorten

De noordse stern Sterna paradisaea heeft een kortere snavel, kortere poten, een rondere kop en van onderen doorschijnende handpennen met een smalle, scherpe zwarte achterrand; in winterkleed een zwakkere carpaalbalk. De Antarctische stern Sterna vittata is in de zuidelijke winter in broedkleed met rode snavel en grijze onderdelen, maar lijkt in winterkleed sterk op de visdief; hij is gedrongener en heeft een zwaardere snavel. Dougalls stern Sterna dougallii is bleker, witter van onderen, met langere staartspiesen en een snellere, stijvere vleugelslag. De grote stern Thalasseus sandvicensis is groter, met een lange zwarte snavel met gele punt.

Leefgebied

Kustwateren tot enkele tientallen kilometers uit de kust, baaien, estuaria en lagunes; slaapt en rust op zandbanken, stranden, zoutpannen en golfbrekers. Vist op kleine scholvis zoals ansjovis en jonge sardien, vaak in gemengde groepen met andere sterns boven jagende roofvissen. In het binnenland zeldzaam op grote meren en stuwmeren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Langs de hele kust van het gebied, van Angola via Namibië en Zuid-Afrika tot Mozambique, met de grootste aantallen aan de westkust en in KwaZulu-Natal. Grote slaapplaatsen liggen onder meer bij Walvisbaai, in de Saldanhabaai en Langebaanlagune en bij Richards Bay. In het binnenland onregelmatig, vooral op grote waterbekkens en het Malawimeer. Broedt in Europa, Azië en Noord-Amerika; Aziatische vogels overwinteren vooral in het Indische Oceaangebied.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste plekken zijn avondslaapplaatsen op stranden en in estuaria, waar duizenden vogels kort voor zonsondergang binnenkomen. Kijk goed naar de handpennen en de snavellengte om noordse sterns te vinden. Ringen worden regelmatig afgelezen: een deel van de vogels blijkt uit Finland, de Baltische staten en Rusland te komen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gebied zijn verstoring van slaapplaatsen door honden, voertuigen en recreatie, olieverontreiniging en overbevissing van kleine scholvis de voornaamste bedreigingen. De aantallen op de grote slaapplaatsen worden sinds de jaren negentig lager geteld dan vroeger.

Wetenschappelijke naam

Sterna hirundo | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sterna voerde hij in datzelfde werk in. Sterna gaat terug op het Oudengelse stearn, dat voorkomt in het gedicht The Seafarer; de Friezen gebruikten een verwant woord voor sterns. hirundo is Latijn voor 'zwaluw', naar de gevorkte staart en de lichte bouw die de stern met die vogel gemeen heeft. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.