Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Vale strandplevier

Vale strandplevier | Anarhynchus marginatus

White-Fronted Plover | Chorlitejo Frentiblanco

De vale strandplevier is dé plevier van de zandstranden van zuidelijk Afrika: een bleke, compacte vogel die met korte sprintjes langs de vloedlijn rent. Paren houden het hele jaar een stuk strand bezet. Daarnaast leeft een binnenlandse populatie op de zandbanken van de grote rivieren en meren.

Vale strandplevier (Anarhynchus marginatus)
Foto: Charadrius_marginatus.jpg: MBoy68 derivative work: Berichard (talk) — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, fluitend wiet of twirrit, en bij alarm een scherp tik; in de balts een zacht, rollend trillertje.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

17–18 cm. De bovenkant is bleek zandbruin, de onderkant wit, vaak met een zwakke roomkleurige of roestige waas op de borst. Het voorhoofd is wit, met bij het mannetje een zwarte streep over de voorkruin en een zwarte oogstreep; bij het vrouwtje zijn die strepen bruiner en vager. Een witte kraag loopt rond de achterhals. De borstband ontbreekt of is beperkt tot kleine donkere vlekjes aan de zijkanten. De snavel is zwart, de poten zijn grijs tot groengrijs. In de vlucht een witte vleugelstreep en witte staartzijden.

Verwarrings­soorten

De strandplevier Anarhynchus alexandrinus, een dwaalgast, heeft duidelijker donkere vlekken aan de borstzijden, zwartere poten en in het broedkleed een roestbruine kruin bij het mannetje. De Kaapse plevier Anarhynchus pallidus is kleiner en heeft een kastanjebruine borstband. De herdersplevier Anarhynchus pecuarius heeft een okergele onderkant en een zwart-witte kopbandering tot in de nek. De drieteenstrandloper Calidris alba rent op dezelfde manier langs de vloedlijn, maar heeft geen wit voorhoofd of kraag en een langere, rechte snavel.

Leefgebied

Zand- en schelpstranden, vooral waar zeegras en aangespoeld wier voedsel leveren, ook monden van riviertjes, lagunes en rotsachtige kusten met zandplaten. In het binnenland zand- en grindbanken in grote rivieren en de stranden van grote meren. Het nest is een kuiltje in het zand boven de vloedlijn; bij verstoring bedekt de broedende vogel de eieren met zand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Langs vrijwel de hele kust van het gebied, van Angola via Namibië en Zuid-Afrika tot Mozambique, het talrijkst aan de zandstranden van Namibië en de West- en Oostkaap. In het binnenland langs de Zambezi (onder meer Kariba en de Chobe), de Luangwa, het Malawimeer en de Shire. Verder langs de kusten en grote rivieren van West- en Oost-Afrika en op Madagaskar.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop in de vroege ochtend over een rustig strand en kijk naar de bovenkant van de vloedlijn: de vogels vallen stil zodra ze stoppen met rennen en zijn tegen het zand bijna onzichtbaar. Van augustus tot januari liggen nesten open op het strand; blijf dan op het natte zand en houd honden aangelijnd.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wijdverspreid. Plaatselijk loopt het broedsucces sterk terug door recreatie, honden, strandvoertuigen en kustbebouwing; in drukke badplaatsen is de soort verdwenen. Op de grote rivieren bedreigen dammen en veranderd waterbeheer de zandbanken.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus marginatus | (Vieillot, 1818)

Vieillot beschreef de soort in 1818 als Charadrius marginatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. marginatus is Latijn voor 'omzoomd, gerand', van margo, 'rand' — hier in de zin van 'van de rand', namelijk de zeekust (Hockey et al. 2005). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit niet vermeld.