Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Swainsons frankolijn

Swainsons frankolijn | Pternistis swainsonii

Swainson's Spurfowl | Francolín de Swainson

Swainsons frankolijn is de frankolijn met de kale rode keel van het open bosveld en de akkers van het binnenland. In de vroege ochtend kraait het mannetje zijn schorre roep vanaf een termietenheuvel, een paal of een lage tak, een van de typische geluiden van de savanne.

Swainsons frankolijn (Pternistis swainsonii)
Hoofdfoto · Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een hard, schor en krassend krraaa-krraaa-krraaa, afnemend in kracht, door het mannetje bij zonsopgang en zonsondergang vanaf een uitkijkpost. Buren beantwoorden elkaar, zodat de roep in de ochtend over het veld lijkt te rollen. Bij verstoring een raspend kek-kek.

Luister: ZangXC662980

Opname: Rick Nuttall — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 37 cm, stevig gebouwd. De bovendelen zijn donkerbruin met zwarte lengtestrepen; de onderdelen zijn bruin met brede, donkere schachtstrepen, zonder zwart-witte schubben of banden. De keel en een ring rond het oog zijn kaal en helderrood. De snavel is donker, zwartachtig met een rode ondersnavelbasis, en de poten zijn zwart tot donkerbruin, een belangrijk verschil met verwante soorten. Het mannetje draagt sporen; de seksen zijn verder gelijk. Jonge vogels hebben minder kale huid en zijn fijner getekend.

Verwarrings­soorten

De roodkeelfrankolijn heeft eveneens een kale rode keel, maar een rode snavel en rode poten; de vormen in het oosten hebben bovendien zwart-wit gestreepte of geschubde onderdelen. Waar beide voorkomen zijn snavel- en pootkleur beslissend. De Natalfrankolijn en de roodsnavelfrankolijn hebben een oranjerode snavel en geen rode keel. De Kaapse frankolijn, in het zuidwesten, is grijzer en mist kale huid.

Leefgebied

Open bosveld en doornveld met een grazige ondergroei, grasland met verspreide struiken, randen van vleien en vooral akkerland, stoppelvelden en braakliggende grond. Foerageert in paren of kleine groepen op de grond op zaden, graan, bollen, knollen, bessen en insecten; overnacht in bomen en heeft water in de buurt nodig.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid in het binnenland: vrijwel heel Zimbabwe en Botswana behalve het droge zuidwesten, het noordoosten van Namibië met de Caprivistrook, het zuiden en midden van Zambia, het zuidoosten van Angola, het westen en zuiden van Mozambique en het noorden van Zuid-Afrika, van Limpopo, Mpumalanga en Gauteng tot Noordwest, de Vrijstaat en het noorden van KwaZulu-Natal; marginaal in Eswatini. Nauwelijks buiten het gebied; een vrijwel endemische soort van zuidelijk Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rijd bij zonsopgang langs akkers en bosveldranden op het Hoogveld of in het Krugerpark en let op kraaiende mannetjes op termietenheuvels. In de oogsttijd, van april tot juni, lopen groepen op de stoppelvelden en langs landwegen. Controleer snavel en poten om hem van de roodkeelfrankolijn te scheiden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen. De soort heeft sterk geprofiteerd van de uitbreiding van de graanteelt en is in het Hoogveld naar het zuiden opgeschoven. Wordt veel bejaagd als wildsoort; plaatselijke verliezen door vergiftigd zaaigoed en het maaien van grasland in de broedtijd.

Wetenschappelijke naam

Pternistis swainsonii | (Smith, 1836)

Smith beschreef de soort in 1836 als Perdix Swainsonii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pternistis werd in 1832 ingevoerd door Wagler. Pternistis komt van het Griekse pternistēs 'iemand die met de hiel schopt', van pterna 'hiel', naar de sporen aan de poten. swainsonii is een eerbetoon aan de Engelse natuuronderzoeker en illustrator William Swainson (1789–1855). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit westelijk Transvaal (Zuid-Afrika).