Alle soorten › Stormvogelachtigen › Noordelijke stormvogeltjes › Stormvogeltje

Stormvogeltje | Hydrobates pelagicus

European Storm Petrel | Paíño Europeo

Het stormvogeltje is het kleinste zeevogeltje in de wateren van zuidelijk Afrika, nauwelijks groter dan een mus. Het broedt op rotseilanden in het noordoosten van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en overwintert in grote aantallen in de koude Benguelastroom voor Namibië en Zuid-Afrika.

Stormvogeltje (Hydrobates pelagicus)
Foto: 000izquierdoguillem — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgzaam. In de broedkolonie een langgerekt, spinnend gekoer uit de holen, afgebroken door een kort hikje, urrrrrrr-chikka, en in vlucht een piepend terr-chik.

Luister: ZangXC1019292

Opname: David Boyle — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 15 cm, roetzwart met een helderwitte stuit die zich iets naar de zijkanten van de onderstaart uitstrekt. Het beste kenmerk is een smalle, maar opvallende witte streep over de ondervleugeldekveren; bovenop ontbreekt een lichte vleugelband of is die slechts vaag. De vleugels zijn kort en afgerond, de staart is recht afgesneden en de poten reiken niet voorbij de staartpunt. De seksen zijn gelijk. De vlucht is snel en fladderend, met korte glijvluchten laag boven de golven, en doet aan een vleermuis of een zwaluw denken.

Verwarrings­soorten

Wilsons stormvogeltje (Oceanites oceanicus) is iets groter, heeft een lichte band op de bovenvleugel, geen witte streep op de ondervleugel en poten die voorbij de staart uitsteken. Het vaal stormvogeltje (Hydrobates leucorhous) en het Madeirastormvogeltje (Hydrobates castro) zijn duidelijk groter, met langere vleugels, een lichte bovenvleugelband en een meer glijdende vlucht.

Leefgebied

Open zee boven het continentaal plat, vooral in koele, voedselrijke opwellingsgebieden. Volgt schepen en foerageert op kleine kreeftachtigen, vislarven en visafval aan het wateroppervlak, vaak in groepen. Broedt in rotsspleten, stenen muren en holen op eilanden zonder predatoren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Op zee voor Namibië en de west- en zuidkust van Zuid-Afrika, waar het hoofdoverwinteringsgebied van de soort ligt; in kleinere aantallen voor Angola en de Oost-Kaap, en zeldzaam voor KwaZulu-Natal. Broedt van IJsland en Noorwegen via de Britse Eilanden en Frankrijk tot de Canarische Eilanden, en in de Middellandse Zee.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op pelagische tochten vanuit Kaapstad in de zuidelijke zomer soms met honderden tegelijk bij de trawlers, gemengd met Wilsons stormvogeltjes. Vergelijk dan formaat, vleugelvorm en de witte ondervleugelstreep. Vanaf land alleen na zware stormen, bijvoorbeeld in de Tafelbaai of de Walvisbaai.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de wereldpopulatie wordt op enkele honderdduizenden paren geschat. Ingevoerde ratten en katten op broedeilanden vormen de grootste bedreiging; uitroeiingsprojecten hebben enkele kolonies laten herstellen. Olievervuiling in het overwinteringsgebied is een risico.

Wetenschappelijke naam

Hydrobates pelagicus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Procellaria pelagica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hydrobates werd in 1822 ingevoerd door Boie. Hydrobates is Grieks, van hudro- 'water' en batēs 'loper': 'waterloper'. pelagicus komt van het Griekse pelagos 'open zee' en betekent 'van de volle zee'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Zweedse kust.