Alle soorten › Zangvogels › Buulbuuls › Shelleys buulbuul

Shelleys buulbuul | Arizelocichla masukuensis

Shelley's Greenbul | Bulbul de las Misuku

Shelleys buulbuul is een kleine, onopvallende buulbuul van montaan bos, genoemd naar de Misuku Hills in het noorden van Malawi, waar de soort voor het eerst werd verzameld. In het gebied is hij beperkt tot die uiterste noordhoek; hij valt meer op door zijn roep in het middenniveau van het bos dan door zijn tekening.

Shelleys buulbuul (Arizelocichla masukuensis)
Foto: Tom Field — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een vrij stille soort. De roep is een hoge, dunne tsiew en een nasaal njèh; de zang is een korte, weinig muzikale reeks piepende en krassende tonen, tsjip-tsjrrr-tsiep, vaak herhaald vanaf een verborgen plek in het gebladerte.

Luister: RoepXC517153

Opname: Louis A. Hansen — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–17 cm. Een slanke, egaal olijfgroene buulbuul met een grijze kop: kruin, teugel en oorstreek zijn grijs en contrasteren licht met de olijfgroene rug. Rond het oog een smalle, onderbroken witte oogring. De keel is lichtgrijs, de borst grijsolijf, de buik en onderstaartdekveren geelachtig olijf. Vleugels en staart olijfgroen zonder tekening. De snavel is vrij kort en donker, de poten zijn grijsbruin. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een olijfkleurige kop. In het veld zijn het formaat, de grijze kop met de fijne oogring en het gedrag in de middelste etage de beste kenmerken.

Verwarrings­soorten

De zwartbrauwbuulbuul Arizelocichla fusciceps deelt hetzelfde bos maar is groter en lawaaiiger, met een donkere kruin en donkere wenkbrauw en een gelere onderzijde; hij komt vaak in groepjes naar vruchtdragende bomen aan de bosrand. De groene buulbuul Eurillas virens is eenvormig donker olijf zonder grijze kop, blijft lager in de ondergroei en heeft een snelle, kabbelende zang. De gestreepte loofbuulbuul Phyllastrephus flavostriatus heeft een lange dunne snavel, fijne gele strepen op de borst en slaat voortdurend met één vleugel. Cabanis' loofbuulbuul Phyllastrephus cabanisi is bruiner, met een witte keel, en foerageert laag in groepjes met veel gerasp.

Leefgebied

Vochtig montaan bos, vooral in de middelste etage en het lagere bladerdak, ook aan bosranden en in oud secundair bos, meestal tussen 1500 en 2300 m. Zoekt insecten door langs takken en bladeren te hippen en eet daarnaast kleine vruchten. Sluit zich graag aan bij gemengde foerageergroepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het uiterste noorden van Malawi, vooral in de bossen van de Misuku Hills, de typelocatie. Daarbuiten in de bergen van Tanzania (Eastern Arc en het zuidwesten), in het Albertine Rift van het oosten van de DR Congo, Rwanda, Burundi en Oeganda, en in het westen van Kenia.

  • Jaarrond
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. De Misuku Hills zijn de plek om hem in het gebied te zien: sta stil in de middelste etage van het bos en let op kleine, grijskoppige buulbuuls in gemengde groepen met brilvogels en boszangers. Leer de dunne roep en het onregelmatige gekras; zonder geluid glipt de vogel vaak ongezien voorbij tussen de talrijkere zwartbrauwbuulbuuls.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; in geschikt bos plaatselijk vrij algemeen. In het gebied is de populatie klein en afhankelijk van de weinige overgebleven bosresten van de Misuku Hills, die onder druk staan van kap en uitbreiding van akkers.

Wetenschappelijke naam

Arizelocichla masukuensis | (Shelley, 1897)

Shelley beschreef de soort in 1897 als Andropadus masukuensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Arizelocichla werd in 1905 ingevoerd door Oberholser. Arizelocichla komt van het Griekse arizēlos, 'opvallend, duidelijk', en kikhlē, 'lijster'. masukuensis verwijst naar het Misuku-gebergte (Masuku) in het noorden van Malawi, waar het eerste exemplaar werd verzameld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Misuku-heuvels, Malawi.