Alle soorten › Valkachtigen › Valken › Rotsvalk

Rotsvalk | Falco rupicolus

Rock Kestrel | Cernícalo Africano

De rotsvalk is de algemene torenvalk van zuidelijk Afrika, een standvogel van bergen, kliffen en open land. Hij werd lang als ondersoort van de Europese torenvalk behandeld, maar is donkerder en roder, met een grijze kop bij beide seksen.

Rotsvalk (Falco rupicolus)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een schel, snel herhaald kie-kie-kie-kie en een hoog, trillend kiirrr, vooral rond het nest op een rotswand.

Luister: RoepXC1081038

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 31 cm. Kop en nek zijn blauwgrijs, met een smalle donkere baardstreep. De mantel en vleugeldekveren zijn warm roodbruin met kleine zwarte vlekken, de vleugelpennen donker. De staart is blauwgrijs met smalle banden en een brede zwarte eindband met witte punt. De onderdelen zijn diep roodbruin met zwarte druppelvlekken. Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar heeft vaak een wat bruiner getinte kop en een gebandeerde staart. Iris donker, snavelhuid en poten geel. Jonge vogels zijn bruiner, met een gestreepte kop en een roodbruine, gebandeerde staart.

Verwarrings­soorten

De grote torenvalk (Falco rupicoloides) is bleker, heeft gebandeerde bovendelen, een bleke iris en geen grijze kop. De torenvalk (Falco tinnunculus), een schaarse Palearctische gast, is bleker aan de onderzijde; het vrouwtje heeft een bruine, gestreepte kop en een gebandeerde bruine staart. De kleine torenvalk (Falco naumanni) is kleiner en slanker, leeft in groepen en het mannetje heeft een ongevlekte mantel en een grijze vleugelband.

Leefgebied

Bergen, kloven, rotsige heuvels, kliffen en open grasland, Karoo en fynbos; ook in stedelijk gebied, waar hij op hoge gebouwen broedt. Jaagt veel biddend boven hellingen en grasvlakten, of vanaf een uitkijkpunt, op knaagdieren, hagedissen, grote insecten en kleine vogels. Broedt op een richel of in een nis in een rotswand, soms in een oud kraaiennest.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over bijna het hele gebied: Zuid-Afrika, Lesotho, Eswatini, Namibië, het oosten en zuiden van Botswana, Zimbabwe, het westen en de hooglanden van Mozambique, het zuiden van Malawi, het zuiden van Zambia en het zuiden en westen van Angola. Talrijkst in bergachtig en rotsig land; schaars in het vlakke Kalahari-zandveld en in dicht beboste streken. Verder noordelijk tot in het zuiden van Congo-Kinshasa en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In elk bergland van het gebied, van de Drakensberg tot de Kaapse bergen en de rotsheuvels van Zimbabwe, zie je de vogel biddend boven een helling of zittend op een rotsblok. Bij een torenvalk met grijze kop en zwaar gevlekte roodbruine borst in de zuidelijke winter gaat het vrijwel zeker om een rotsvalk.

Staat van instandhouding

Niet apart door de IUCN beoordeeld; hij wordt gerekend tot de torenvalk (Falco tinnunculus, niet bedreigd). Algemeen; profiteert plaatselijk van gebouwen en elektriciteitsmasten, terwijl bestrijdingsmiddelen en vergiftigd aas plaatselijk een risico vormen.

Wetenschappelijke naam

Falco rupicolus | Daudin, 1800

Daudin beschreef de soort in 1800 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Falco werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Falco is het Latijnse woord voor 'valk', mogelijk verwant aan falx, 'sikkel', naar de gebogen vorm van klauwen of vleugels. rupicolus is Latijn voor 'rotsbewoner', van rupes, 'rots', en colere, 'bewonen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.