Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Rotsnachtzwaluw

Rotsnachtzwaluw | Caprimulgus tristigma

Freckled Nightjar | Chotacabras Pecoso

De rotsnachtzwaluw is een grote, donkere nachtzwaluw die overdag op kale rots rust, waar hij met zijn fijn gespikkelde verenkleed volledig oplost in het korstmos en de verweerde steen. Plaatselijk heeft hij in steden platte daken als vervanging voor rotsplaten ontdekt.

Rotsnachtzwaluw (Caprimulgus tristigma)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, blaffende dubbeltoon, kow-kow of wow-wow, als een kleine hond in de verte, vaak een reeks keren herhaald. Roept vanaf een rotsblok of dak, vooral in de schemering, bij maanlicht en in het vroege voorjaar.

Luister: ZangXC892945

Opname: Bram Vogels — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

26–28 cm. Een grote, zwaar gebouwde nachtzwaluw met een vrij korte staart. Het verenkleed is donker grijsbruin tot zwartachtig, overal dicht bezet met fijne lichte en grijze spikkels, zonder duidelijke strepen op kruin of mantel en zonder roestbruine nekband. De keel heeft aan weerszijden een witte vlek. Het mannetje heeft kleine witte vlekken op de vier buitenste handpennen en smalle witte punten aan de buitenste staartpennen; het vrouwtje heeft kleinere vleugelvlekken en geen wit in de staart. De kleur varieert met de ondergrond: vogels op roodachtige zandsteen zijn warmer, vogels op graniet grijzer.

Verwarrings­soorten

Geen andere nachtzwaluw in het gebied is zo donker en gelijkmatig gespikkeld zonder roestkraag. De roesthalsnachtzwaluw (Caprimulgus pectoralis) en de roodwangnachtzwaluw (Caprimulgus rufigena) zijn kleiner, lichter en hebben een duidelijke kraag. De Ethiopische nachtzwaluw (Caprimulgus poliocephalus) is kleiner en heeft veel wit in de staart. De voorkeur voor kale rots en de blaffende roep onderscheiden de soort.

Leefgebied

Rotsige heuvels, granietkoppies, inselbergen, kloven en rotsplaten in bosveld en savanne, van zeeniveau tot hooggebergte. Rust overdag op kale rots, vaak in de volle zon. In steden als Pretoria, Harare en Bulawayo ook op platte daken van gebouwen, waar de vogels jagen op insecten rond straatlantaarns.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Overal waar kale rots is: Angola, Zambia, Malawi, Zimbabwe, het binnenland van Mozambique, het oosten van Botswana, het centrale en westelijke Namibië, en in Zuid-Afrika in Limpopo, Mpumalanga, Gauteng, Noordwest, KwaZulu-Natal en langs de Oranjerivier in de Noord-Kaap; ook Eswatini. Ontbreekt in vlakke gebieden zonder rots. Verder over grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het hele jaar bij een granietkoppie of rotsplaat, in de schemering. Luister naar het blaffende kow-kow en zoek met een zaklamp langs de rotsranden. Overdag is een rustende vogel alleen te vinden door rotsplaten met de verrekijker centimeter voor centimeter af te zoeken; in de Matobo Hills en de Magaliesberg lukt dat regelmatig.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in rotsrijke streken algemeen. De soort is weinig gevoelig voor landgebruik, omdat kale rots zelden wordt omgezet, en heeft zich in sommige steden aangepast aan gebouwen. Er zijn geen aanwijzingen voor afnames.

Wetenschappelijke naam

Caprimulgus tristigma | Rüppell, 1840

Rüppell beschreef de soort in 1840 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Caprimulgus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Caprimulgus is Latijn, van capra 'geit' en mulgere 'melken', naar het oude volksgeloof dat nachtzwaluwen 's nachts geiten leegzogen. tristigma komt van het Griekse tri-, 'drie', en stigma, 'vlek': 'met drie vlekken', naar witte vlekken in het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gondar, Ethiopië.